woensdag 22 december 2010

In Memoriam: Henrie Boulle


Na een kort ziekbed is buurman Henrie Boulle vanmorgen - woensdag 22 december - overleden. Hij werd 85 jaar.
Henrie heeft vanaf het moment dat wij Maison Bellevue in september 1998 kochten, 'bij het servies' gehoord. Voordat wij zelf vanaf juli 2005 permanent in Frankrijk gingen wonen, was hij min of meer de regisseur van Bellevue. Geen wonder, hij woonde er al met al meer dan 35 jaar, waardoor het complex, waarvan hij zelf uiteraard maar een deel officieel huurde, compleet onder zijn jurisdictie viel.
Zoals alle gasten hebben kunnen zien, was de moestuin zijn lust en zijn leven. Tot en met afgelopen zomer heeft hij zich er met hart en ziel aan gewijd, maar het was hem niet gegund in het harnas te sterven. Henrie Boulle overleed in het ziekenhuis van Dijon, waar hij begin november werd geopereerd aan darmkanker.
Een week geleden nog zag ik hem in een droom tussen zijn groentebedden lopen, in een mooie nieuwe, blauwe tuinbroek. Hij was klaarblijkelijk in zijn knollentuin. Moge hij zich nu ook zo voelen.
Bellevue, 22 december
Elly en Jurriaan

zondag 19 december 2010

May your paths all shine like crystal

may your skies always be blue

may you find a bed to sleep in

and may you find a lover too

May you spend a merry X-mas

may you track a white reindeer

may its name of course be Rudolf

and may he guide you through the year

(vrij naar Bob Dylan)

Joyeux Noël et une bonne année tout le monde!!!

Elly en Jurriaan, Ballet, Belle en Beau


woensdag 15 december 2010

Bernardus, Maria en de kruistocht

Bernard van Clairveaux, bij ons beter bekend als de Heilige Bernardus, bleek een enorme overredingskracht te hebben, waarmee hij keizers, koningen en zelfs pauzen voor zich wist te winnen. Maar ook eenvoudige stervelingen, via zijn geliefde Maria.

Bernard was niet alleen een groot denker, maar tevens een geweldig redenaar, die meer dan 500 preken op zijn naam heeft staan en 350 brieven. En dan hebben we het niet over eenvoudige schrijfsels, maar over doorwrochte epistels, waarmee je een pinguin overreedt een bikini te dragen. Die eigenschap bezorgde hem (Bernard, niet die pinguin) roem tot ver over de grenzen en veel geestelijke en wereldse leiders riepen zijn hulp in. Om het schisma te beslechten tussen de twee pauzen die Europa toen kende, bijvoorbeeld. Om koningen over te halen tot de kerk toe te treden en keizers te bekeren tot het ware geloof.

Was het daarom dat de met Bernard bevriende paus Eugenius III, de latere heilige vroeg in 1146 tot de Tweede Kruistocht op te roepen? Een kruistocht die de moslims moest verjagen uit de juist door hen ingenomen stad Edessa in het Heilige Land? Bernardus gaf gehoor aan het verzoek van de paus en reisde naar de pelgrimsstad Vezelay, op 70 km afstand van Bellevue...

Nu is Vezelay ook zonder die historische gebeurtenis zeer de moeite waard. In de negende eeuw al bouwden nonnen een klooster aan de voet van la colline éternelle, de heuvel van de

eeuwigheid waarop Vezelay nu ligt. Korte tijd later werden zij gevolgd door monniken, die het hogerop zochten en bovenop de heuvel hun abdij bouwden. De twaalfde eeuwse basiliek die daar nu staat (gewijd aan Maria Magdalena, van wie relieken in de crypte en in de sokkel van haar standbeeld worden bewaard) is van een indrukwekkende soberheid, die prima bij Bernard paste. Maar ook het stadje aan de voet ervan is prachtig. Religieuze winkeltjes en musea, pelgrimshuizen en kroegjes, galeries en restaurants wisselen elkaar af, alle in middeleeuwse sfeer.


Maar we dwalen af, dus terug naar die Tweede Kruistocht die vanuit Vezelay vertrok. Op 31 maart van het jaar 1146 kwam op een veldje halverwege la colline éternelle een grote menigte bijeen, onder wie koning Louis VI. Het was echter niet deze Franse vorst voor wie het volk samen dromde, maar Bernardus. Zijn roem zal hem vooruit zijn gesneld, zeker. Maar misschien was het ook wel zijn visie op het geloof die juist veel gewone mensen naar de bijeenkomst lokte. Want anders dan de katholieke leer tot dan toe, die vooral collectiviteit predikte, waarin de goegemeente niets persoonlijks ervoer, riep Bernard op tot een individuele beleving van het geloof. Mensen van vlees en bloed konden zich volgens de abt via tussenkomst van de Maagd Maria rechtstreeks tot God wenden. Deze persoonlijke benadering en de aanzienlijke rol van Maria daarin, zal in de eeuwen die volgen de harten van vrijwel alle katholieke gelovigen veroveren. Tot aan het warm kloppend hart van Gerard Reve toe, die Maria immers vereerde als geen ander.

Enfin, dat veld – mooi glooiend, zodat iedereen de abt van Clairveaux en beschermeling van vorstenhuizen en pauzen goed kon zien – dat is ook vandaag de dag nog te bezoeken. Een groot maar simpel houten kruis markeert de plaats waar Bernard zal

hebben gestaan. In de verpletterende stilte van de locatie hoor je hem bijna preken. Spreken over de val van de stad Edessa en over de angst dat ook Jeruzalem zal vallen. Over de noodzaak om een vuist te maken tegen de agressie van de bezetters en daartoe de handen ineen te slaan... En als je je ogen sluit, dan zie je bijna hoe honderden mannen en jongens op Bernard van Claiveaux afstapten om een stukje stof te ontvangen dat ze tot een kruisje vouwden en op hun kleding speldden, om aldus 'gewapend' te beginnen aan de Tweede Kruistocht. Je ziet bijna hoe Bernard tenslotte, als de stof om uit te delen is opgeraakt, de bovenzijde van zijn sobere mantel afscheurt en van deze witte doek nieuwe lapjes snijdt. Alleen wel jammer dat die vermaledijde kruistocht op niks uitdraaide...

Toen in 1217 in opdracht van die andere heilige, Franciscus van Assisi, een handvol Franciscaner onniken neerstreek op de heuvel van de eeuwigheid, toen kregen zij een plek toegewezen precies bij het veldje waar de Heilige Bernardus predikte. Daar stond inmiddels een simpele gebedskapel, waar de nieuwkomers een klein onderkomen naast bouwden, dat ook nu nog door Franciscanen wordt bewoond. De Italiaanse gasten van Vezelay zullen ook in 1217, ruim zestig jaar na de dood van Bernard van Clairveaux, de kracht van diens woord nog hebben gevoeld. Want in weerwil van hun eigen abt in Assisi, droegen zij de gebedskapel op aan de Heilige Bernardus.


dinsdag 14 december 2010

Fontenay: de schaduw van Bernard

Leven en werken van de Heilige Bernardus hebben zich afgespeeld in de Bourgogne. Niet per se op Bellevue, maar in de buurt. Dat dan weer wel.

Nauwelijks een turf hoog, verliet Bernard op 9-jarige leeftijd zijn ouderlijk huis om in het nabij gelegen Châtillon-sur-Seine bij de kanunniken in de leer te gaan. Toen tien jaar later zijn moeder overleed, was haar zoon zo verknocht aan het geloof dat hij overwoog monnik te worden. Dat gebeurde uiteindelijk in het jaar 1113, toen Bernard toetrad tot het klooster van Cîteaux, dicht bij Dijon. Deze relatief jonge abdij, vijftien jaar eerder opgericht door Robert van Molesme, wilde de strenge leer van de Heilige Benedictus in oude luister herstellen, als reactie op de rijkdom die veel andere kloosters (onder meer dat van het eveneens Bourgondische Cluny) nastreefden. De orde zou die van de Cisterciënzers gaan heten, naar het Latijnse woord voor Cîteaux: Cistercium.

In dit klooster zou Bernards ster snel rijzen. Hij bleek een begenadigd spreker en schrijver, met zeer veel overredingskracht. En met die kracht overtuigde hij zijn medemens van de noodzaak sober te leven, omdat de monnik 'alleen in de woestijn van het brandend witte licht, zonder kleur en zonder afbeeldingen, in contact kan komen met God'.

Omdat Citeaux een beetje vol werd, werd Bernard na drie jaar al samen met een dozijn monniken uitgezonden om elders een nieuw klooster te stichten. Dat werd Clairveaux in de Vallée d'Absinthe, waar hij de rest van zijn leven abt zou blijven.


Wie een goede indruk wil krijgen van de manier waarop de Cisterciënzers in de tijd van Heilige Bernardus leefden, kan uiteraard naar Clairveaux gaan, maar daar ligt een teleurstelling op de loer. Er staan nog slechts enkele oude gebouwen overeind, de rest is nieuw. Beter is het wellicht naar de abdij van Fontenay af te reizen, die in 1119 werd gesticht door monniken die door Bernard van Clairveaux op pad waren gestuurd om op hun beurt een nieuwe plek te vinden.
Dat werd een vallei iets ten noordoosten van Montbard, waar in een luttel aantal jaren
een kloostercomplex uit de grond werd gestampt.

Wie de plaats nu bezoekt, raakt vooral onder de indruk van de grootschaligheid én de intense soberheid ervan. Met name in de kerk, 30 meter hoog 'slechts' en 66 meter lang, is geen spoor te vinden van de gebruikelijke rooms-katholieke pracht en praal. Geen kleuren, geen beelden, geen vloertegels, niets mocht het oog van de monniken afleiden van God.

Het regime van Bernardus was zó streng, dat hij er zelf bijna aan onderdoor ging. In Clairveaux

al werd de abt ziek van de ontberingen die hij en zijn orde leden en in Fontenay was het regime niet milder. Integendeel: slechts enkele vertrekken van het enorme complex werden verwarmd. De keuken natuurlijk, en van daaruit via een luchtstroom ook de ziekenboeg en de 'inktkamer'.

De monniken namelijk, maakten hun met de hand geschreven en versierde geschriften in de

bibliotheek naast deze inktkamer. Wanneer het in de winter meer dan twintig graden vroor, dan mochten ze om de zoveel tijd hun potje inkt naar die kamer brengen waar het vocht moest ontdooien. En de van reuma, kou en vocht gekromde handen even konden gewarmd. De bewoners sliepen ook in de winter op slechts een matje in de ijskoude slaapzaal, die nog altijd intact is en waar de kilte tastbaar wordt. Fontenay, dat is de schaduw van Bernard...

Nodeloos te zeggen dat veel overredingskracht nodig was om de kloosterorde in dit strenge regime te houden. Een overredingskracht die Bernardus van Clairveaux bezat en die hij nog zou aanwenden in Vezelay.

Wordt vervolgd...



Op zoek naar de kleine Bernard

In de donkere dagen voor Kerst is het zo gek nog niet wat aandacht te besteden aan het Christendom in Bourgondië. Niet dat we de EO-jongerendag gaan organiseren op Bellevue, maar er valt nog wel wat religieus te verhapstukken in de buurt. Waarbij de persoon van Heilige Bernardus – die zijn hele leven woonde en werkte in de Bourgogne – centraal staat.

Wie vanuit Bellevue het mooie Dijon bezoekt (85 km), doet er goed aan een kleine bedevaart te ondernemen naar Fontaines-lès-Dijon, een charmant gehucht dat inmiddels tegen de hertogenstad ligt aan geplakt. Helemaal op de top van de bult die het gehucht vormt, staat een kerk die is gewijd aan Sint Bernard (niet te verwarren met de gelijknamige hond; die is genoemd naar de Sint Bernhardpas, die zijn naam weer ontleent aan Bernhardus van Menthon, maar dat alles terzijde).Die bult dus is de plek waar de kleine Bernard in 1090 het levenslicht zag. Hij

werd geboren in een adellijk nest: zijn vader was heer van Fontaines en zijn moeder kwam van het huis van Montbard (inderdaad, waar nu de TGV stopt, maar laten we niet afdwalen naar wereldse zaken). Het was een omvangrijk gezien, waarin de kleine Bernard groot groeide, met in het totaal zes zonen en één dochter. Een godsvruchtig gezin was het ook: uiteindelijk zouden alle gezinsleden

toetreden tot het klooster, inclusief pa.Wie nu Fontaines-lès-Dijon bezoekt, vindt van dat ouderlijk huis van Bernard uiteraard niets meer terug. En toch is de sfeer er wel bijzonder. Door de sobere kapel die iets onder het hoogste punt van de heuvel werd neergezet. In al zijn eenvoud ligt dit bescheiden kerkje nog het dichtst bij Bernard zelf, die later immers de ultieme soberheid zou prediken (zie straks Sint Bernardus II).

Echt bovenop de bult van Fontaines staat een

nogal megalomane kerk, met ernaast een galerij waarin weer twee gebedskapellen zijn ondergebracht. Hier tussenin is een marmeren tableau ingemetseld in de muur, met daarop - in het Latijn - een aan Bernardus opgedragen tekst. In een nis links staat bovendien een beeld van de heilig, in sobere pij en met een curcifix en een papierrol. Hij was immers van de brieven, maar ook daarover later.

Aan de andere kant van de galerij staat nog een klein woonhuis. De verleiding is groot te fantaseren dat de kleine en leergierige Bernard, die al op 9-jarige leeftijd zou afreizen naar Châtillon-sur-Seine om door de kanunniken te worden opgeleid, hier heeft geslapen. Maar dat is onzin, want de woning is negentiende eeuws. Bernard deed op z'n best als joch van een jaar of zes een tukkie in het gras voor het huis, onder de blauwe hemel. Dezelfde hemel die Fontaines-lès-Dijon en ons nog altijd overspant.

Wordt vervolgd...

maandag 15 november 2010

Tussen Emily Dickinson en Cherry Duyns

In het Schagense Boekencafé DeLuxe wordt maandelijks een literaire avond gehouden. Oktober was gewijd aan de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (niet persoonlijk present want gestorven op 15 mei 1886), december is er even niets (Sinterklaas vergt al genoeg rijmelarij) en in januari komt Cherry Duyns vertellen wat hij allemaal te vertellen heeft. En dat is veel.

Tussen die twee grootheden in mag ik - Jurriaan - woensdag 24 november een avond culinaire verhalen voordragen. Of eigenlijk: liedjes en verhaaltjes waarin de cirkel als stijlvorm wordt gehanteerd. Vertellingen dus die min of meer eindigen zoals ze begonnen. Net als het leven zelf trouwens: uit stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Maar nog even niet in Schagen, alsjeblieft. Eerst maar eens een paar chansons van eigen hand en hart laten horen, die deze cirkelgang als leidraad hebben. En afleveringen voorlezen uit mijn culinaire gids 'Over de Tong II, íemand moet het doen', die in 2008 verscheen. Daarin is doorgaans hetzelfde kunstje te zien, al zal ik in Schagen - aan de hand van de oude Grieken, het Christendom, de psychologie en de compositieleer, maar dát ga ik hier niet allemaal verklappen - hopelijk 'bewijzen' dat het eigenlijk meer is dan zomaar een kunstje.

Na de pauze zal het programma van Boekencafé DeLuxe gewijd zijn aan verhalen uit 'Het lieve leven van de familie Kaas', het lees-, kook- en smulboek dat ik samen met Neêrlands kaaskeizerin Betty Koster schreef. En alleen praten over kaas (en wijn) is niet genoeg voor een culinair journalist. We gaan dus ook proeven van kaas en nippen van bijpassende dranken. Want dat is toch het lieve leven, zeker ook in Schagen...

Boekencafé De Luxe is gevestigd in 't Oude Slot, Markt 21 te Schagen. De zaal is open om vanaf 19.00 uur, het programma start om 20.00 uur. Kaarten à 7 euro (6 euro voor CJP/Pas 65+) zijn te bestellen via email: josewit@quicknet.nl.

Goed beschouwd

Het is mal hoe een huis - een oud huis, geen premie A-woning - je na jaren nog kan verrassen. Neem Maison Bellevue, toch al weer sinds september 1998 in ons bezit. We dachten dat we elke hoek, iedere vierkante centimeter van het huis wel onder handen hadden gehad. Want overal vind je sporen van ons bloed, ons zweet, onze tranen.

Bloed, zweet en tranen op de balken van het Franse plafond in de woonkamer, dat samen met Peter en Rob eerst helemaal kaal werd geschaafd en inmiddels door Elly weer is geschilderd.
Op de muren, eigenhandig gestuct, die alle kleuren hebben gehad van de regenboog. Totdat Elly Marokkaanse verfpoeders ontdekte en de rust nu lijkt gevonden.
Op de vloeren, waar ooit tegels werden gesopt en geboend, waar vloerdelen werden kaalgeschuurd en gelakt en geschilderd en kaalgeschuurd, totdat er de oude houten delen op werden gespijkerd die ooit het plafond van een Rotterdamse machinefabriek vormden. Zo schrijft het huis nieuwe historie...

Goed, elke vierkante centimeter aangepakt dus, inclusief de haardpartij achter de trouwe Jotul-kachel. Totdat opeens de vraag rees: wat zou er ónder al die stuclagen zitten, onder al die kleuren verf?
's Morgens nog maakten we stomtoevallig foto's van hoe het was (helemaal bovenaan), 's middags namen we beitel en hamer ter hand om achter de façade te kijken. Eerst maar eens een klein hoekje afgebikt en verdraaid, er kwam grijs-geel graniet tevoorschijn. Vervolgens de kangohamer gepakt en - op de pantoffels want het begon zo onschuldig! - de omlijsting met grof geweld te lijf. De steunbeer rechts was al gauw kaal tot op het natuursteen, waaruit bleek dat Maison Bellevue ooit zo'n Bourgondische schouw had gehad, inclusief de granieten 'wangen' waarop vroeger de horizontale balk (vaak van hout, soms van steen) bóven de open haard rustte. Die wangen waren ooit half weggeslagen, de balk boven het vuur werd verwijderd en de hele boel gestuct. Lekker strak...


Na beide staande dragers van de schoorsteen te hebben ontmanteld (letterlijk en figuurlijk), was het de beurt aan de liggende balk, die we er destijds zelf tegenaan bouwden om althans nog een beetje het gevoel van een schouw te krijgen. Onder die halfronde boomstam van ons kwam nog het oude granol te voorschijn, waarmee het huis in 1998 vol zat. Jaren zeventig. Ónder het gepiekte gips bleken grote rossige bakstenen aangebracht, waarmee het oude schoorsteenkanaal werd afgedicht toen de open haard een dichte harad werd. Warme kleuren, die een mooi contrast vormen met het grijze graniet van de zijbeuken.

Maar wat zou er onder het stucsel zitten bínnen de lijsten van de oude vuurplaats? Elly is in zo'n geval nooit te benauwd om dat te onderzoeken. En jawel, ook hier kwam natuursteen naar voren: de oude achterwand van de open haard, geheel opgetrokken uit grote blokken bruingrijs graniet. Met links onderin een dichtgemetselde ruimte. Een oude oven? Neen, volgens vriendin Joke het gat waarin vroeger de nog smeulende takken in werden gelegd waarmee de direct erboven aangebracht broodoven werd heet gestookt. Dikke bossen twijgen verdwenen daarin, totdat de kleine overruimte een hitte had van 350 graden Celsius. Vervolgens werden de smeulende vuurresten eruit geschept en in dat onderste vak gegooid (geen warmte verliezen), waarna het brood in de nog loeihete oven kon worden gaar gebakken.





Enfin, Maison Bellevue heeft nu haar antieke schouw. Een gehavende schouw weliswaar, maar eentje die daardoor des te meer verhalen vertellen kan. Over vroegere culturen en ouderwetse zeden. Over veranderde gewoonten en modernere smaken. Goed beschouwd: verhalen over het leven zelf.

PS. Het was geen goed idee om de kachel aan te steken tijdens de ontmanteling van de schouw...




donderdag 11 november 2010

Een tuiltje reacties van onze gasten





Ofschoon we momenteel geen echt gastenboek hebben voor Maison Bellevue of Maison Perdue, laten veel mensen een berichtje achter. Of een presentje. Of een mooie tekening. Of een nostalgische kaart van verliefde duiven op het Place du Tetre in Parijs. Nota bene op de dag dat we twintig dozen 'Le Croix du Tetre' hadden aangeschaft als huiswijn voor 2012?!?


Hartverwarmend al die reacties, die we eigenlijk niet voor onszelf willen houden.


Neem Aafko, Cindy en Niels, die altijd een hartelijke brief achterlaten, compleet met tekening: 'Bedankt voor weer twee fantastische weken in jullie prachtige Maison Bellevue. We zijn erg onder de indruk van de nieuwe bron...'


Marcel en Mirella hadden een week lang slecht weer, maar vonden het toch fijn. 'De extreme koude (5 graden!) werd verlicht en verwarmd door jullie hartelijkheid en warme zorg, in de vorm van voldoende hout, petroleum, lekkere hapjes en wijn, gezellige momenten!'


Merel, Kasper en de kleine Karlijn hadden juist goed weer, getuige hun brief: 'Wat een geweldige vakantie hebben we mede dankzij jullie ervaren. Douchen met kip-uitzicht, prachtig weer, een knus huisje, heerlijk welkomstdiner, ultieme rust en gastvrijheid. En zo kunnen we nog wel even doorgaan.'

Van Frans Tromp, één van de beste trekzakspelers van Nederland, kreeg ik harmonicalessen als dank voor het verblijf in Perdue.


En Stella en Clemens uit Heemskerk, voor de tweede keer bij ons met hun ouders Jan en Saskia, maakten prachtige tekeningen en schreven erop: 'Ik vond het heel fijn bij jullie.'

Elise en Jaques 'hebben het heerlijk gehad in het allerliefste huisje van héééél Frankrijk... Jullie hebben voor een idyllische sfeer gezorgd.'



Christ en Karin kwamen aanzetten met een zwaluwnestje als cadeautje, om onze zomerhuisje nóg idyllischer te maken.


Bij Karin en Lex gaat de liefde een beetje door de maag. 'Fijn diner op de aankomstdag en tevens alle kleine attenties zoals wijntje lurken, eitjes en de heerlijke crème brûlée!'


Van Antoine Berghs uit Maastricht, die samen met Myriam in Perdue logeerde, kregen we een schitterend boek cadeau over de gave kunstwerken die Berghs jr. maakt: 'Why return to places while one could proceed endlessly'. Dan denk je: die komen dus niet meer terug, maar dat doen ze juist wel!


Net als vader Piet Berghs en zijn vrouw Leny, in Maison Perdue om hun 40-jarig huwelijk te vieren, die hún indrukwekkende kunstboek meebrachten onder de simpele titel 'Beeldhouwer'.


Marion en Ton waren ook blij: 'Eigenlijk willen we niet meer weg uit jullie prachtige, inspirerende, genoeglijke Maison Perdue.'



Het grappigste presentje kwam wel van Bert en Ira. Stappen we de tuin in van Maison Perdue, staat daar een mevrouw-in-rode-bolletjesjurk gebukt tussen de muntplanten?! Dat is dus Cybille (let op de woordspeling), die Bert zelf maakte. Van de winter overnacht ze even binnen, maar volgend jaar staat ze weer in de tuin. En we hopen dat iedereen een keertje komt kijken!



Bedankt voor alle hartelijkheid!


Elly en Jurriaan

zondag 31 oktober 2010

Het roer om


'Het roer om' was de titel van de eerste serie documentaires over mensen die huis en haard verkochten in Holland, om zich ergens ver weg hun geluk te beproeven. Mooie tv, in het begin, met mooie verhalen. Over mensen die een huis in Frankrijk kochten dat vrijwel instortte. Of een woning in Italië die op papier niet bleek te bestaan. Later boette 'Het roer om' - net zoals veel ervan afgeleide series - ernstig aan kwaliteit in, omdat je zág dat de slachtoffers door de tv-regisseur werden opgestookt om hun project toch vooral (bijna) niet te laten slagen...

Vrijwel iedereen die nu Bellevue bezoekt, merkt hetzelfde op: 'Oh jullie deden wat ze in 'Het roer om' ook altijd doen'. Waarop wij ons haasten te zeggen dat de aankoop van Maison Bellevue weliswaar een spontane actie was (in drie dagen gepiept), maar dat we in alle jaren daarna langzaam en weloverwogen naar onze eigenlijke verhuizing en inburgering zijn toegegroeid. Door een beetje Frans te leren spreken en boodschappen te doen in het dorp. Door ons aan te melden bij het feestcomité van Moux en harmonica te spelen tijdens de jaarlijkse vide grenier (letterlijk: lege zolder). Door de gemeente te helpen met vertalingen en onze Franse vrienden te laten delen in ons geluk.

Enfin, na de eerste vijf jaar verhuur, gaat bij ons het roer dan toch om. Nou ja, een beetje dan. Want mochten onze gasten tot nu toe rekenen op een uitgebreid welkomstmaal op de zaterdag van aankomst, de mensen die we vanaf komend seizoen zullen ontvangen, krijgen een tikkie minder te verstouwen. Op hun eigen verzoek trouwens, want veel fans van Bellevue hebben aangegeven dat vier gangen wel een beetje veel was, na zo'n lange reis. Maar ze hoefden toch niet alles op te eten? Nee, maar daar was het nou weer te lekker voor...

Vanaf 2011 vergasten we onze oudgedienden en nieuwkomers dus graag op een welkomsthapje en een welkomstdrankje. Lekker informeel, samen in onze bistro Moux-sur-Mer. Glaasje crémant met Elly's beroemde cougères (soesjes), verse quiche met mooie witte wijn, zelfgemaakte pisaladière en een stevig glas rood en tot slot een stuk tarte Tatin met een slokje Banyuls. Of heel andere heerlijkheden, dat hangt van de luim van de dag af. En natuurlijk van de seizoenen.

Het voordeel? Dat iedereen minder zwaar hoeft uit te buiken en 's morgens ook weer wat blieft. Dat gasten van Bellevue en Perdue ongedwongen kunnen kennismaken zonder meteen te hoeven 'aanzitten'. En er is een pluspunt voor ons: we kunnen er eens even bij komen, om mee te proosten. Kijk, da's wel het leukste van 'het roer om'.

woensdag 13 oktober 2010

Kabouter Spillebeen en de cêpes



Nu het stof van de trekzaknootjes is neergedaald, zetten we het op een zingen. Want in het bos achter Bellevue stikt het van de paddenstoelen. En elke keer als je zo'n rode ziet met witte stippen, zit je een dag lang met die verdomde Spillebeen in het hoofd. Nog even voor wie de tekst was vergeten: 'Op een grote paddenstoel/rood met witte stippen/zat kabouter Spillebeen/heen en weer te wippen/'KRAK' zei toen die paddenstoel/met een diepe zucht/en zijn beentjes vlogen/hoepla, in de lucht'. Wat een dommigheid...


Gelukkig zijn er ook andere zwammen te zien in de wouden van de Morvan. Wat heet, complete heksenkringen vind je er, zoals die van nevelzwammen op bijgaande foto. In vroeger tijden werd verondersteld dat binnen zo'n kring de heksen vergaderden. Overigens kunnen heksenkringen eeuwen oud worden en uiteindelijk een diameter van honderden meters bereiken.



Eenmaal hebben we een inktviszwam ontdekt, die zich kenmerkt door tentakels met schijnbaar zuignappen erop en een vuurrode kleur. Het is geen inheemse paddenstoel. Sporen ervan zouden tijdens de Tweede Wereldoorlog door Australische geallieerden zijn meegevoerd onder hun soldatenkistjes...



Eetbare paddenstoelen vinden we ook veel op onze wandelingen door het bos en langs de weiden. Zo hebben we al vele tientallen grote parasolzwammen op onze eigen schapenweitjes geoogst en verorberd. Een heerlijke zwam (foto hiernaast), waarvan de hoed met lamellen wel 25 cm breed kan worden. In de zomer hebben we een aantal malen cantharellen gevonden. Die herken je eenvoudig: ze zijn mooi oranje van kleur en hebben een trompetvormige kelk met een rafelige bovenrand. Bovendien lopen de lamellen door tot in de steel. Erg smakelijk.



Ronduit spectaculair zijn de grote, bolvormige ruitjesbovisten die in het gras van de weilanden groeien. Vette witte bollen, die op den duur bruin worden, openbarsten en dan hun sporen in de vorm van ragfijn bruin stof laten wegwaaien met de wind. Als ze nog jong zijn echter en hagelwit, is het binnenste eveneens wit en vast van structuur. In die toestand zijn ze goed eetbaar, zij het dat je ze in dunne plakjes moet snijden en hard bakken, omdat het vruchtvlees anders te week en sponzig is.



Lekker zijn ook de zogeheten berkenboleten, maar de koning van de paddenstoelen is - even afgezien van de truffel, die in de Morvan niet groeit - de cêpe (foto). Bij ons beter bekend als eekhoorntjesbrood, is hij goed herkenbaar aan de piepkleine verticale buisjes onder zijn hoed. Dat geeft aan dat het een boleet is en de meeste daarvan zijn goed eetbaar. Met uitzondering van de satansboleet, de heksenboleet en nog een paar lelijkerds.



Tot slot dan die rode vliegenzwam met z'n witte stippen. Er zitten giftige stoffen in, maar toch eten mensen ze wel. Hij is namelijk sterk hallucinerend. Dus die kabouter Spillebeen, da's gewoon een junk.

donderdag 30 september 2010

Frans met mate(n)


Nog pakweg 48 uur en dan barst op Bellevue het zesde trekzakfestival los: Frans met mate(n). Even voor de niet ingewijden: Frans Tromp is de beroemde docent die vijf maal eerder een ploeg van ongeveer twintig harmonicaspelers aanspoorde tot grootse daden. Dat wil zeggen, al die muzikanten (het zijn er niet precies 20 hoor, er is ook aanhang bij die zich gelukig anderszins nuttig maakt) krijgen maandagochtend de partituren voor de neus die Frans in de maanden daarvoor heeft voorbereid en uitgewerkt. Vervolgens heerst er ongeveer 100 uur een kakafonie van trekzakken die door elkaar de meest vreselijke herrie maken, waarna op vrijdagavond in onze bistro Moux-sur-Mer een concert wordt gegeven en het opeens allemaal perfect klinkt. Kijk dat is de kracht van kennisoverdracht...

Dit jaar verwachten we zondag in de namiddag 20 gasten, die in en rond Bellevue een plaatsje krijgen. In tentjes op onze glooicamping, in Maison Bellevue, met campers op onze nieuwe weide, in Maison Perdue en als het even meezit tevens op onze logeerzolder.

Wat er op het muzikale programma staat is nog een complete verrassing voor iedereen (behalve voor Frans, hopelijk). Dat het culinaire programma dik voor elkaar is weet iedereen nu al. Gewoontegetrouw kookt gastvrouw Elly met haar keukenmaatjes (afwisselend Gretha en Alexandra en Barbara en Leendert en Jurriaan) de sterren van de hemel. Ook voor de uitvoering die voor vrijdag 8 oktober staat gepland: volgens de traditie staat er nasi fait à la maison op het programma, waar de Franse, Engelse, Schotse en Hollandse vrienden uit de directe omgeving volop van zullen genieten.

Kortom: wens ons allen succes. En Frans in het bijzonder!

zaterdag 11 september 2010

Wilde zwijnen op Bellevue




Sporen hadden we al veel vaker gezien in de nabije omgeving, maar nu hebben we dan toch ook nieuwsgierige wilde zwijnen op ons eigen land rond Maison Bellevue en Perdue. En we hebben ze, wat dieper in het bos, met eigen ogen kunnen zien...


Evers en reeën vormen het belangrijkste wild in de Morvan. Niet ver van ons huis woont een enkele haas - verdwaald, want die hoort in een polderland thuis - die hopelijk ooit een echtgenote vindt. Verder zie je heel soms een fazant, vaker een vos en dikwijls een das. Helaas liggen die laatste meestal dood langs de kant van de weg. Niet zo snel kennelijk en dom met oversteken.


Reeën zie je vaak tijdens wandelingen in het bos, maar wilde zwijnen loop je (behalve in opgezette vorm bij buurvrouw Le Fèvre aan de wand) niet veel tegen het lijf. Meestal zie je de sporen die ze achterlaten: omgewoelde bladeren en aarde, waar ze op zoek zijn geweest naar knollen, larven en insecten. Of gewoon pootafdrukken, herkenbaar aan de twee diepe voorhoeven en de twee ondiepe, licht naar buiten staande achterhoeven. En dan hebben we het over de afdruk van één poot, met vier 'vingers' (de vijfde zit hoger, dus die laat geen spoor na).


We hadden al eens varkens gehoord in de tuin van onze buren. Waarbij er eentje waarschijnlijk in het prikkeldraad bleef hangen met één of ander lichaamsdeel, want die maakte toch een hoop misbaar?!? Op de eigen schapenweide achter Bellevue was het vorige week ook raak. Een grote omgeploegde plek herinnerde aan vreemde gasten...


Tijd voor nader onderzoek en andermaal een vroege ochtendwandeling. Daarbij trof ik wat hoger in het bos op een stil pad een groep aan van tussen de acht en twaalf dieren, schat ik. Ik zag ze voorbijlopen met hun leigrijze-zwarte vacht, al maakte het dichte gebladerte het moeilijk ze goed te onderscheiden. Het hadden eerlijk gezegd ook olifanten kunnen zijn. Maar dat lijkt me minder waarschijnlijk.


Ik probeerde dichterbij te komen om een foto te maken, maar de dorre bladeren op de grond verraadden mij. En ofschoon die evers met z'n alle in die bladeren rondstapten en wroetten en daarbij veel meer herrie maakten dan ik, hadden ze mij toch in de gaten en kozen ze het hazenpad. Gelukkig wellicht, want een boos wild zwijn is een lelijk ding. Ze schijnen net zo lang over je heen te lopen tot je een soort tartaar bent. Om het maar eens culinair uit te drukken.


En nu maar afwachten wat er in het jachtseizoen overblijft van 'onze' wilde varkens. Ze mogen in ieder geval altijd op ons weitje komen. Om asiel te vragen.

dinsdag 7 september 2010

Van matkoppen en goudhaantjes




Je weet pas wat er vliegt rond Maison Bellevue als een kenner je erop wijst. Zo meldden onze vaste gasten Margaret en Frans en Hugo en Floris en Hedwig (ja, we hebben veel gasten) ons erop dat er liefst 31 verschillende vleermuizen rondvliegen! Geen 31 soorten, doch exemplaren, maar toch...



Dat het met de vogels rond Bellevue ook wel goed zit, leerden we van Jan Buter, die kort daarna een aantal dagen te gast was. Buter (47) groeide groot op het Drentse boerenland en weet alles van wild en van bijen en van vossen. En van vogels dus, wat genoeg reden is om een ochtendje te dauw trappen (dauw te trappen?) met deze ornitholoog.
De volgende morgen om zes uur uit de veren dus en een half uur later in het nog schemerdonker achter het huis naar boven het bos in. Onmiddellijk horen we onze huisuil kokkelend roepen. Een bosuil, herkent Jan. Het geluid van een groepje vogels een paar honderd meter verder is moeilijker te duiden. Zijn het staartmezen? Of koolmezen, die een heel repertoire aan immitaties hebben. Het is echter nog te donker om het goed te kunnen zien.


De Vlaamse gaai, waarvan het stikt rond Bellevue, hoef je niet te zien om hem te herkennen (zelfs ik niet), evenmin als de hond van de buren die in de verte aanslaat. En zelfs in de schemering laat de vlucht van een duif zich gemakkelijk raden.


Nog weer hoger worden we verrast door een heel hoog vogelgepiep. Het zou een goudhaantje kunnen zijn, dat immers de hoogste piep heeft van alle vogels, maar Buter beslist dat het een winterkoninkje is. Zij het een heel vroeg winterkoninkje, begin september...


Andermaal meldt de duif zich en even later ook een merel, terwijl de koolmees nog meer eens wat immitaties weggeeft.




Dat Jan Buter een echt natuurmens is, blijkt wel dat hij niet alleen in de gaten houdt wat boven ons vliegt, maar tevens wat zich op de grond onder onze voeten afspeelt. We zien sporen van reeën en zwijnen en van een vos. Maar het meest indrukwekkend is wel een flinke ronde pootafdruk met twee scherpe, spitse nagels. Het zou een grote boskat kunnen zijn, denkt Jan. Wat heel goed mogelijk is, want in de Morvan wonen nog altijd lynx-achtige katten, groot, met pluimpjes aan de oren en een korte staart. Ze zijn net zo zeldzaam als schuw, maar toch...


De grote bonte specht zien we even later ook voorbijkomen, net als zijn nog grotere oom, de zwarte specht. Waar de eerste een roffelend geluid laat horen in een boom (rakkatakkatakkatak) geeft de zwarte specht heel lui en rustig nu en dan een krachtige hak in het hout. TOK, TOK.... TOK.


De mooiste waarneming moet echter nog komen. Op een grote open plek strijkt een paar meter van ons af een mees neer. Nu heb je mezen in soorten en maten, zoals glanskoppen en zwartkoppen en matkoppen. Wij zien hier de laatste en als Jan het bijbehorende geluidje laat horen in zijn I-pod, dan raakt hij helemaal van de leg. De matkop, niet Jan.


Terug bij de bosjes waar we op de heenweg de andere mezenclub hoorden, blijkt inderdaad dat het een hele familie staartmezen is. Ze vliegen en kwetteren en tsjirpen er vrolijk op los, als om te bevestigen dat het mooi leven is rond Bellevue. Maar dat wisten we al.




PS. Als rechtgeaard ornitholoog heeft Jan Buter een lijstje achtergelaten met vogels die hij tijdens zijn verblijf in en rond Maison Bellevue heeft gezien en gehoord. Daar gaan we: zwaluw, witte kwikstaart, huismus (vind je het gek), vink, zwarte roodstaart, wilde eend (bij een meertje in de buurt), grote bonte specht, buizerd, bosuil, zwarte specht, Vlaamse gaai, koolmees, staartmees, roodborst, winterkoninkje, ekster, torenvalkje (op weg naar Vezelay) plus die matkop dus. En dan moeten de jaarlijks terugkerende kraanvogels nog overkomen...

vrijdag 3 september 2010

Na de pad nu de vinders



Na het vertrek van de tuinpad zijn nu de padvínders gearriveerd op Bellevue. Deze week hebben zes jongens van de Duitse Pfadfindersschaftgruppe 'Friedrich von Bodelschwingh' hun tenten opgeslagen op de weide achter Maison Perdue. Nou ja, tenten... De scouts, onder leiding van de volwassen Cornelius Schäfer, hadden één tent bij zich. En verder slaapzakken en wat aanmaakhoutjes.


Cornelius en zijn groep - jongen van 12 tot 14 jaar - waren enkele dagen eerder gestart in Saulieu. Ze lopen met zware bepakking door de heuvels en bossen en strijken neer waar ze een geschikte plaats vinden. Nooit op een camping en al helemaal niet in een hotel of gîte, maar altijd in de vrije natuur. Het enige dat de 'Von Bodelschwinghers' - de Duitser Friedrich van Bodelschwingh bekommerde zich voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog over de vele gehandicapte kinderen in Duitsland - vroegen was iets om een vuurtje op of in te stoken. Daarna werd door een deel van de jongens de tent opgezet (drie aan elkaar geregen lappen als grondzeil en nog eens drie met vier stokjes als 'tentje') en maakten de anderen het vuur aan. Met zegge en schrijve één lucifer en veel kleine houtjes en wat hooi.
In grote aluminium pannen werd vervolgens water gekookt en werden de door het lopen al tot moes geschudde tomaten verwarmd, samen met de meegebrachte ravioli. En na het eten uiteraard vroeg naar bed, want dat wil je wel na 20 km lopen met volle bepakking.


De volgende ochtend werd hun kampeerplaats alweer opgebroken en hebben Cornelius en de zijnen de weide nauwkeurig opgeruimd, om rond tien uur 's morgens te vertrekken. Met hun tent, de slaapzakken, de pannen en hun vlag. Aan het einde van de middag kwam ik ze nog tegen in Les Settons, waar ze de laatste kilometers naar een nieuwe kampeerplaats nog moesten overbruggen. Als ze die zouden vinden.


We hopen dat de scouts van Friedrich von Bodelschwing volgend jaar weer komen en dat ze dan een dagje langer blijven! Al is het maar omdat die tuinpad nog steeds niet terug is...

maandag 9 augustus 2010

Een tuinpad voor Bellevue



Zoals er vele wegen naar Rome leiden, komen ook vele paden tot Bellevue. En padden, want we hebben sinds een week of wat een eigen huispad: Padrick. Of eigenlijk is het een tuinpad, daar onze dikke broeder zich voornamelijk ophoudt in de kruidentuin van Elly. Verstopt zich tussen de helianten om te ontkomen aan kat Beau en hond Ballet, die veel interesse in 'm hebben. Noem het paddentrek.

Gisteravond moet-ie door de open deur vanaf ons terras naar binnen zijn geglipt (recht van overpad), want vanmorgen zat Padrick klem onder de deur. Een padstelling zogezegd.
Tot drie keer toe is Padrick inmiddels vijftig meter verder gebracht en in het vochtige donker onder een stapel hout gezet. Je wilt immers niet steeds het risico lopen bovenop hem te staan (platgetreden pad). Maar telkens weet-ie de weg naar ons huis weer te vinden?! Zoals gezegd: er komen vele paden tot Bellevue...

woensdag 4 augustus 2010

Bellevue breidt uit!

Bij notaris Garandeau in Liernais heeft vandaag de officiële overdracht plaatsgevonden van het 'champ roncier' (2615 m2) aan Maison Bellevue. Dit 'braambosjesveld' – de vertaling van champ roncier – is gelegen aan de voorzijde van ons vakantiehuis. Het wordt gemarkeerd door vele bomen: eik, appel, wilde kers, haagbeuk en een grote spar. Met de aanschaf is het vrije uitzicht voor onze gasten en onszelf gewaarborgd.



De vorige eigenaren, Thérèse en Daniel Dubuisson uit Dijon, hebben in de plaatselijke editie van het dagblad Le Bien Public een wekelijkse column waarin zij de historie van een pand of perceel grond in de stad beschrijven. Ter gelegenheid van de aanschaf van het champ roncier door hen - in 2007 om er een ecologische woning op te bouwen - hebben zij met veel enthousiasme en gevoel voor detail de geschiedenis van het veldje uitgezocht. Een historie die voor een belangrijk deel parallel loopt met de geschiedenis van Maison Bellevue zelf.
Lang hebben Thérèse en Daniel niet genoten van hun grond. Omdat ze in de Morvan geen aannemer konden vinden die voor een fatsoenlijke prijs hun inmiddels getekende huis kon bouwen, hebben ze na drie jaar besloten het hele project te laten varen en een bestaande huis ten noordoosten van Dijon te kopen.
Hieronder volgt – voor de liefhebbers van een tuiltje historie en lange Franse zinnen – de integrale tekst van de Dubuissons.


Een terrein in de Morvan
(door Thérèse en Daniel Dubuisson)

'In 2007, toen we een terrein zochten om ons huis voor onze oude dag op te zetten, stuitten we in de Morvan bij toeval op een zonnig en met bomen begroeid perceel, licht glooiend en op het zuiden gelegen, dat ons onmiddellijk aansprak. Tijdens het schoonmaken van het stuk grond, al 20 jaar braak liggend en door varens en bramen overwoekerd, hebben we ook tijd gevonden om de historie op te diepen van de mensen die het ooit hebben bewerkt. Zie hier dus de geschiedenis van het veldje – of meer precies: de historie van de laatste anderhalve eeuw. In die lange tijd is het slechts één keer verkocht en dan ook nog tussen volle neven. Het is evenwel niet minder dan vijf keer van de hand gegaan door vererving of schenking. Het verhaal van het champ roncier is dus tevens de geschiedenis van een Morvandese familie.
Het perceel grond ligt in het gehucht Bellevue, boven het plaatsje Moux-en-Morvan en het nieuwe kadaster van 1972 wijst het toe aan het nog kleinere buurtschap Les Pinoits, naar de naam van de berg in het zuidwesten die de locatie domineert. Het oude kadaster, van 1843, echter noemt het 'champ roncier': en inderdaad, we hebben met eigen ogen kunnen zien dat de wilde bramen er goed groeien. Notariële akten spreken tevens van 'champ rosier' (rozenveldje) als verwijzing naar de egelantiers die in de omzomende hagen groeien of ook wel 'rougé' dan wel 'rouger', hetgeen is terug te voeren op het rode gruis van graniet dat tijdens onweersbuien de grond kleurt. Het terrein is aan de noordzijde begrensd door de lokale weg van Château Chinon naar Saulieu en aan de zuidkant door een lange natuurstenen muur, die zonder enige specie bijeen blijft.


De familie Marchand-Collard- Pelletier


We beginnen de historie van het terrein, dat we Le Roncier zullen noemen, met een huwelijk. In 1825 trouwt Pierre Collard, een handwever geboren in Liernais maar woonachtig in het gehucht Chassagne, met Claudine Marchand, dochter uit een landbouwersgezin in Perruchots. De laatste is dan, op 25-jarige leeftijd, al weduwe, nadat haar eerste man, een wachtmeester, anderhalf jaar eerder stierf. De nieuw gehuwden cultiveren enkele percelen grond en uit de droge administratieve akten schemert een pover leven door. Onder genoemde percelen, door Claudine van haar ouders geërfd, bevindt zich ook het minste deel van Le Roncier, ter grootte van pakweg 14 are. Pierre Collard koopt het betere deel van het veld, ongeveer 21 are, in 1847 van Léger Marchand, een neef van zijn echtgenote. Vanaf dat moment heeft Le Roncier dus de oppervlakte die het de komende anderhalve eeuw zal houden.
Marie Collard, dochter van Claudine en Pierre, trouwt in 1852 met Léger Pelletier, een arbeiderszoon uit Velle-sous-Moux. Het jonge koppel woont de eerste tijd in bij zijn ouders in het gehucht Perruchots. In 1857 laten ze evenwel een nieuw huis bouwen in Bellevue, in het buurtje dat 'Le Champ du Chêne' (het eikenveld) wordt genoemd. Daar komt in 1858 hun zoon Claude ter wereld. Ze hoeven vanuit hun nieuwe huis slechts 200 meter af te leggen om de 35 are van Le Roncier te bewerken. Overigens geeft (groot)moeder Claudine Marchand het stuk grond pas in 1864 cadeau aan haar beide kinderen, Marie en haar broer, de onderwijzer Jean. Le Roncier wordt dus weer verdeeld, maar Marie koopt direct het gedeelte van haar broer. Na het vroegtijdig overlijden van haar Léger, in 1866 op een leeftijd van slechts 38 jaar, onderhoudt zij de grond alleen, totdat haar zoon Claude groot genoeg is om haar af te lossen.
Claude Pelletier is van de generatie die het leven verdeelt tussen Parijs en de Morvan. Meteen na zijn huwelijk in 1880 brengt hij flinke verbeteringen aan aan het ouderlijk huis en bewerkt hij intensief Le Roncier, maar een paar jaar later vinden we hem terug als senior verkoper bij La Samaritaine, het grootste en oudste warenhuis in de lichtstad. Vervolgens bevalt het leven in de grote stad Claude weer niet en keert hij terug om de grond van Bellevue te bewerken. Echter, na het overlijden van zijn moeder, in 1910, trekt hij zich definitief terug in Parijs en zet hij al zijn bezittingen in Moux te koop; dat wil zeggen, Le Champ du Chêne en Le Roncier. Op 1 juni 1913, tijdens de openbare veiling door kroegbaas Jules Rateau in Moux, wil evenwel geen mens bieden. Waarop Claude Pelletier het huis drie dagen later onverwacht alsnog verkoopt aan een Parijse collega en het veld overdoet aan zijn volle neef Charles Meuriot.
De familie Meuriot-Marlot-Girard
René Meuriot, dakpannenmaker uit Vianges, trouwt in 1845 met Reine Pelletier, zuster van de hierboven aangehaalde Léger Pelletier (de man van Marie Collard) en dochter van een landbewerker uit het kleine plaatsje Roseaux. Het is daar dat in 1846 hun zoon Charles wordt geboren. Die trouwt op zijn beurt in 1867 met Marie Primard uit Gien-sur-Cure en zal, net als zijn neef Claude, zijn leven verdelen tussen Parijs en de Morvan. Als veeverkoper reist hij naar de hoofdstad, waar hij in 1870 werk krijgt op de spoorlijn van Orléans, in dezelfde periode dat zijn tweede kind wordt gebaard. Vervolgens kent hij enige welstand als inkoper voor de beroemde restaurantketen 'Bouillons Duval'. Dit bedrijf, met goedlopende zaken, werd in 1870 opgericht door slager Pierre-Louis Duval en Charles kan zonder twijfel zijn talent als veehandelaar tonen in de populaire restaurants, die vleesbouillon serveren getrokken van de beste delen van het rund.
Als keerzijde van zijn Parijse leven zal Charles Meuriot in 1893 scheiden van zijn Marie Primard, bij wie hij drie kinderen heeft, om te hertrouwen met Adna Despret, een Belgische weduwe die hem in 1895 een vierde kind schenkt. Voortaan woont hij bij haar in Charenton-le-Pont, waar hij in 1922 sterft.
Maison Bellevue
Deze Charles Meuriot dus koopt in 1913 Le Roncier van zijn neef Claude Pelletier. Het stuk grond ligt feitelijk pal tegenover het grootste huis van het buurtschap La Queue des Chaises, dat inmiddels beter bekend is als Maison Bellevue. Dit pand werd in 1850 gebouwd door Charles' vader, René Meuriot, die er op 27 juli 1913 zal sterven. Vanaf die datum en zeker vanaf de dood van Charles in 1922, zijn de Meuriots nauwelijks nog in Bellevue te vinden. De drie eerste kinderen van Charles zijn allemaal uitgevlogen. Laurent, de oudste, werkt net als zijn vader bij Bouillons Duval, de middelste, Reine, is getrouwd met een landbouwer uit Zwitserland en de jongste, Maria, woont met haar grondbewerker Gabriel Marlot in Censerey. Le Roncier is in die jaren zonder twijfel verpacht.
Bij de verdeling van de erfenis van Charles Meuriot, in 1922, komen Maison Bellevue en Le Roncier beide in handen van zijn zuster Maria en haar man Gabriel Marlot. Nog weer twee verervingen later is het geheel in handen van Emilienne Marlot, echtgenote van Louis Girard, die het op hun beurt nalaten aan Gabriel Girard uit Saulieu. Deze verkoopt het huis van zijn betovergrootvader in september 1998 aan de Hollanders Jurriaan en Elly, maar houdt Le Roncier, dat dan al vier generaties aan dezelfde familie toebehoort. Pas in 2007 verkoopt hij het stuk grond, waar twintig jaar eerder een kwart van is verkocht aan Girards oostelijke buurman monsieur Gilbert, aan Thérèse en Daniel Dubuisson, die het drie jaar later opnieuw verkopen aan de eigenaren van wat dan inmiddels Maison Bellevue heet.'

Tot zover het relaas van Thérèse en Daniel, die minstens drie maal naar het verre Nevers zijn gereisd om het archief voor de Nievre te raadplegen. Zelf zijn we van plan voorlopig helemaal niks met onze nieuwe aanwinst te doen. Nu ja, we maaien het gras, plukken de appels en houden nu en dan een barbecue in de schaduw van een stel hazelaars. O ja, en we gaan de wilde braamstruiken te lijf. Want die gedijen, zoals door de eeuwen heen, best op Le Roncier.

donderdag 17 juni 2010

Eigen fontein voor Maison Bellevue


(Van onze verslaggever)

Maison Bellevue heeft een eigen fontein waaruit bronwater kan worden getapt. De fontein is deze week in gebruik genomen door Aafko Bergenhenegouwen, die in 2009 al het startsein gaf voor de aanleg ervan.

Bellevue is al jaren aangesloten op een bron die ontspringt in de bossen achter het landgoed. Het water, in 2005 getest en schoon bevonden door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, wordt via een stelsel van pijpleidingen en buizen naar het estate gevoerd. Daar voedt de bron al lange tijd de leeuwenfontein van de eigenaren van Bellevue, Elly en Jurriaan, alsmede de complete watervoorziening van Maison Perdue.
Kraakhelder
Gasten van Maison Bellevue konden weliswaar ook al jaren gebruik maken van het kraakheldere water, maar dat moest tot deze week getapt worden uit een eenvoudige tuinslang. Het was Aafko Bergenhenegouwen (tweede van links, met rechts naast het waterhuis zijn vrouw Cindy) die in 2009 opperde om er een fraaie fontein voor aan te leggen, omdat Bellevue met deze bron een UPS - een unique selling point ofte wel een onderscheidend verkoopargument- in huis heeft, aldus Aafko destijds.
In de weken vooruitlopend op de tweede vakantie van het gezin Bergenhenegouwen op Bellevue, is hard gewerkt aan de aanleg van de fontein, die wordt gekenmerkt door een zware antieke bronzen kraan tegen een eikenhouten waterhuis. Het bronwater is vanuit deze kraan gratis te tappen door gasten van Maison Bellevue.
(bron: La Gazette de Bellevue)

donderdag 10 juni 2010

Pauselijke soep!


Antoine en Myriam, twee kunstenaars uit Maastricht die in mei een weekje 'Perdue' waren, verwarmen Bellevue met het recept van de lievelingssoep van paus Pius V (1504-1572). Die werd in 1712 door Clemens VI heilig verklaard, maar dat zal wel niet vanwege zijn vraatzucht zijn...

Thera Coppens meldt in haar 'Romantiek van de oude kloosterkeuken' dat de creatie, die ook wel Lombardische soep wordt genoemd, is bedacht door Bartelomeo Scappi, een kok die in 1570 in de keuken van het Vaticaan werkte. Zijn Lombardische soep dreef Pius V bijkans tot waanzin - we hebben het hier over een smulpaap - en toen de Heilige Vader in 1572 het leven liet was Scappi inmiddels zo vermaard dat de vier volgende pauzen hem allemaal aanhielden als chef! Coppens wijst erop dat de lekkernij tevens populair werd in veel Italiaanse kloosters en dat zij de pauselijke soep zelf met Pasen op tafel zet. Wat zal samenhangen met de feestdag van de Heilige Pius V, die op 30 april valt.

Coppens vermeldt als ingrediënten (hoeveelheden worden niet gegeven) een bospeen, groentebouillon, boter, tijm, peper en zout, geraspte emmentaler kaas, kruidnagel, een pijpje kaneel, snufje saffraan, witte druivensap plus eidooiers en eiwitten gescheiden. De bewerking is dan zo dat van de kaas met wat eiwit stevige balletjes worden gedraaid. De wortel gaat in plakjes, die in een klontje boter worden gebakken. Giet de bouillon er vervolgens bij en breng de soep op smaak met zout, peper en tijm. Voeg het pijpje kaneel toe en giet er het sap van witte druiven bij. Voeg wat saffraan toe voor geurigheid en kleur. Doe nu de geklutste eidooiers erbij, roer de soep glad en laat hem minstens een kwartier koken. Doe er tenslotte de kaasballetjes bij en laat die even meewarmen...

Ofschoon het recept zelf dus al een kunstwerk is, maakte Antoine er met recht een plaatje van, door de Pius V - die het witte habijt voor de paus invoerde - in het hart van de receptuur te verbeelden. Kortom, allemaal aan de pauselijke soep vanavond! Et bon appétit!

Met dank aan Antoine Berghs (www.antoineberghs.com) en Thera Coppens (http://www.historisch-toerisme-bureau.nl/).

donderdag 6 mei 2010

Het lieve leven van de familie Kaas



Geen product is zó verweven met onze cultuur als kaas. Vraag een emigrant in Canada wat hij het meeste mist aan Holland. Tien tegen één dat-ie 'een bruine boterham met kaas' roept. Je vindt kaas terug in onze taal (wie zich de kaas niet van het brood laat eten tenminste) en in spelletjes (boter, kaas en eieren), in de literatuur (de roman 'Kaas' van Willem Elsschot), de muziek (de popgroep 'Kaas' uit Edam). En natuurlijk vooral in de keuken.
Met zo'n dichte verwevenheid – of liever: diepe dooradering – kan het bijna niet anders of kaas is ten dele ook een spiegel van diezelfde cultuur. In 'Het lieve leven van de familie Kaas' gaat Neêrlands kaaskeizerin Betty Koster samen met culinair schrijver Jurriaan Geldermans op zoek naar de verhalen áchter kaas. Naar de makers ervan, met hun dromen en daden. Naar de ontstaansgeschiedenis van sommige kazen.
En dan hebben we het niet over vetgehaltes en graden, over stremsels en rijping. Nee, in 'Het lieve leven van de familie Kaas' gaat het over koeherders en koningen, engelen en soldaten. Over Napoleon die met zij sabel een Valençay onthoofdt. Over smokkelaars en belastingontduikers en operazangeressen en...
Meer dan twintig kazen komen tot leven in deze 'leukste verhalen over de lekkerste zuivel'. En bij al die heerlijkheden bedachten topkoks de beste recepten. Grote chefs als Jean Beddington en Onno Kokmeijer, Angélique Schmeinck en Lucas Rive kropen achter 'de kachel' om taarten en amuses, entrees en desserts met kaas te creëren. Vinologen als Thérèse Boer en Ronald Opten, Peter Bruins en Peter Klosse zochten er de mooiste wijnen bij. Of whisky's en sherry's en bieren. Want de familie Kaas heeft vele vrienden.
Zo maakten Betty en Jurriaan - samen met fotograaf Peter Schat - niet alleen een heerlijk leesboek, maar ook een kookboek en wijngids tegelijk. Kortom: 'Het lieve leven van de familie Kaas', da's een smúlboek.

'Het lieve leven van de familie Kaas – het leukste verhalen over de lekkerste zuivel' is een uitgave van Insider Media te Naarden. Het is verkrijgbaar bij boekhandel, kookwinkels en in veel kaasspeciaalzaken. Het ISBN-nummer is 9789490142056.
De prijs van het boek bedraagt 22,50 euro.

vrijdag 26 maart 2010

Gregorius en de jaloezie


Soms kan een mens stinkend jaloers zijn. Op de volgende vergelijking bijvoorbeeld. 'Verdriet is als een schrikachtig dier. Eerst is het gemakkelijk op de vlucht te jagen. Dan kruipt het steeds dichterbij, en vroeg of laat zit het in de hoek van je kamer. En dan blijft het daar.'

Het is wellicht geen verrassing dat het een dominee is die dit denkt. Immers, geestelijken van uiteenlopende pluimage denken wel vaker. Nu ja, daar zijn ze in ieder geval voor ingehuurd. Wat wel verrassend is, is dat deze denker Gregorius blijkt te zijn. In de gelijknamige roman van de Zweedse schrijver Bengt Ohlsson, die er in 2004 de Zweedse Augustprijs mee won.

Belezen mensen zullen Gregorius misschien al wel kennen uit een andere roman, die een eeuw eerder werd geschreven door Hjalmar Söderberg: Dr. Glas. In dit dagboek van een arts is Gregorius een walgelijke man. Een zelfingenomen kwast, dik en oud, stinkend en zwetend en in zijn omgang met zijn jonge, bloedmooie echtgenote Helga een absulote hork. Erger, hij verkracht haar onophoudelijk, terwijl zij van hem gruwt.

In het moederboek krijgt Dr. Glas bezoek van Helga, die hem vraagt de seksuele driften van haar eigen man in te dammen of haar er althans van te vrijwaren. Dat probeert de jonge huisarts, heimelijk verliefd als hij is op Helga, op diverse manieren. Maar veel soelaas biedt het allemaal niet: Gregorius droomt van kinderen en die krijg je nu eenmaal niet van onthouding.

Juist deze kinderwens - die Dr. Glas in het origineel van Söderberg afdoet als een huichelachtig excuus om de seksuele belagingen van zijn echtgenote voort te zetten - bracht Bengt Ohlsson een eeuw later aan het twijfelen. Gregorius was voor iedere Zweed ouder dan drie jaar dan wel een monster (Dr. Glas staat op elke literatuurlijst, zoals bij ons ooit Jan Wolkers' Turks Fruit), maar wat als hij nu eens oprecht was in zijn zucht naar nageslacht?

Het antwoord op deze vraag staat in de roman Gregorius, die vanuit de dominee zelf is geschreven. Daarin is de predikant nog steeds dik (maar hier walgt hij zelf ook van) en hij verkracht Helga evenzo. Nochthans wordt het een mens van vlees en bloed. Met z'n zwaktes en z'n onhebbelijkheden, zeker, maar daar is-ie nu juist een mens voor. Bovendien zet hij zich - als hij eens even niet loopt te tobben over zijn relatie met Helga - in voor zijn medemens, en niet geheel zonder succes. Zo weet hij een kersverse weduwe te troosten, waarbij bovenstaande vergelijking bij hem opdoemt. Die niet alleen jaloersmakend is van schoonheid, maar tevens getuigt van piëteit met de rouwende vrouw.

Het geeft geen pas hier verder in te gaan in de verwikkelingen rond Gregorius; zijn roman staat in de boekenkast van Maison Bellevue en is op zích al reden om af te reizen naar de Morvan. Maar is dat dan het enige argument om het verhaal van de dominee aan te halen op de website van ons goede huis? Nee, waarachtig niet. De werkelijke reden is dat de vertaalster - Geri de Boer - een trouwe gast is van Maison Bellevue. Sterker, dat zij in de zonovergoten novembermaand van het jaar 2008 een groot deel van Gregorius juist hier vertaalde! Het is verleidelijk het succes van haar werk aan de inspirerende kwaliteiten van Maison Bellevue toe te schrijven, maar dat is te veel eer. Geri heeft helemaal op haar eigen houtje de roman van Bengt Ohlsson weergaloos herschreven, in een onwaarschijnlijk rijke, beeldende taal. Wat heet, de Nederlandse Gregorius is waarschijnlijk mooier dan de Zweedse of de Engelse, waar Margaret Atwood zo weg van was. Zoals Ernst van Altena's vertaling 'Mijn vlakke land' mooier is dan Jacques Brels origineel 'Le plat pays'.
Ook daarop kan een mens stinkend jaloers worden...

Jurriaan

dinsdag 9 maart 2010

Er is er een jarig, hoera, hoera...

Vandaag, 9 maart, viert Juliette Binoche (1964) haar verjaardag. Een heuglijk feit voor heel Frankrijk want Juliette is niet slechts een begenadigd actrice, maar tevens een niet onverdienstelijk schilderes. Zo maakt ze karakteristieke portretten van alle regisseurs met wie ze heeft gewerkt, tot aan Jean Luc Godard aan toe! Daarenboven doet Binoche ook nog aan ballet. Niet zo maar positie één en twee en – vooruit – drie op de koop toe, maar ingewikkeld, experimenteel danswerk. Een bijzondere vrouw dus – uomo universale van top tot teen.
Wat heeft dit nu met Maison Bellevue van doen? Welnu, ons goede huis (vrij naar wijlen Lennaert Nijgh, die altijd sprak van zijn 'goede schip', waarmee hij zijn garnalenkotter De Jonge Jacob bedoelde, maar dat terzijde) ligt in Frankrijk en deelt alleen al om die reden mee in de feestvreugde rond Binoche. Maar er is meer om hier een partijtje te houden – waarop Juliette zelf overigens niet van de partij zal zijn, helaas – en dat is dat op een steenworp afstand van Maison Bellevue het plaatsje Flavigny ligt. Daar werd de film Chocolat werd opgenomen, waarin Binoche, naast de altoos innemende Johnny Debb, de hoofdrol vertolkt. Liefhebbers van deze romantische rolprent (destijds Oscar-genomineerd, wat overdreven was) doen er dus goed aan Maison Bellevue of Maison Perdue te huren en vanuit die thuisbasis op bedevaart te gaan naar het stadje in kwestie.
Flavigny is trouwens sowieso de moeite waard. De sfeer is er volledig Middeleeuws, met smalle geplaveide straatjes die klimmen en dalen langs louter natuurstenen huizen met veel beeldhouwwerk versierd. In het hart van het gehucht staat de kerk die in de film figureert en waar de jonge priester op aangeven van de lelijke burgemeester de goegemeente stenigt met diens donderpreken.
Wat bij ieder bezoek aan Flavigny weer opvalt, is dat het plaatsje zo weinig toeristisch is?! Toegegeven, de beroemde anijsfabriek maakt er zijn kleine frisse snoepje en baat die traditie enigszins uit. En oké, er zijn twee kroegen en één restaurant (gerund door twaalf boerinnen die thuis van allerlei lekkers maken en dat daar verkopen – heerlijk!), maar verder helemaal niks. En het gekste: je vindt in héél Flavigny slechts één enkele verwijzing naar de film Chocolat (welke houden we geheim, want het is veel leuker zulks zelf te ontdekken). Sterker, het pandje waarin Juliette in de film haar bonbonnerie heeft, doet dienst als opslagplaats voor brommers en banken?!?
Elke rechtgeaarde Hollander was in het onderkomen allang een chocolaterie van meer of minder allooi begonnen en zou al doende zijn zakken vullen. Zo niet de Fransen.
Dat is te betreuren en toe te juichen tegelijk. Immers, we mogen het jammer vinden dat je ter plekke niet een heerlijke praline kunt consumeren, bij een beker warme chocolademelk (met alcohol erin natuurlijk, al weet ik niet meer wat voor liefdes-elixer Binoche er in de film door deed). Maar tegelijk zou Frankrijk allang Frankrijk niet meer zijn als de Fransen niet zo onuitstaanbaar a-commercieel zouden zijn. Echt, als je een dozijn Nederlanders la douce France gedurende een week zou laten bestieren, was het land aan het eind daarvan één groot Landau Greenpark. En daar wil je niet zitten...
Maar terug naar ons onderwerp. Want bovenbeschreven desinteresse in handel blijkt niet de enige oorzaak van de commerciële bescheidenheid van Flavigny. In het stadje zit sinds mensenheugenis ook een klooster annex abdij, die klaarblijkelijk een machtige speler is ter plaatse. Want weliswaar gaf de abt toestemming voor het opnemen van Chocolat in deze godsvruchtige achtertuin van Onze Lieve Heer, maar alleen dan als de gemeente zou worden achtergelaten zoals Binoche en Debb hem ooit aantroffen: onbezoedeld door gemarchandeer, onbetreden door toerisme. En daar heeft de filmcrew maar ook de gemeenschap van Flavigny nar geluisterd. Zaten die donderpreken in het verhaal wellicht toch niet zo heel ver naast de werkelijkheid;-)
Hoe dan ook: Juliette, een mooi jaar gewenst, in goede gezondheid. Want la santé is – zoals iedere Fransman altijd weer zegt – la principale!

maandag 8 maart 2010

De lichtheid van vos

In de laatste sneeuw van deze winter (dat wil zeggen: de laatst gevállen sneeuw, van zaterdag, de voorbode van een koudegolf die de Morvan andermaal in wit zal hullen) zag ik vanmorgen twee vossen. Ofschoon flink groot, zullen het jonge dieren zijn geweest, want ze speelden en buitelden over het pad dat de heuvel achter Maison Bellevue oploopt. Dat pad, ooit zorgvuldig geplaveid met granieten stenen, waardoor je de indruk had over een Romeinse heerbaan naar boven te zwoegen, is in de loop van vele jaren diep uitgesleten en vertoont aan weerszijden taluds van soms wel twee meter hoog. Steil als een rotswand.
Het was tegen deze hoogten dat de twee vossen naar boven dansten. Zonder last van de sneeuw en het ijs, diezelfs het pad tussen beide taluds tot een ijsbaan maken. Zonder last van de onwaarschijnlijke hoek waar tegen zij omhoog dartelden. Zonder last van de zwaartekracht, schijnbaar.
Zou ik er tegenop komen? Geen schijn van kans. Weliswaar ben ik sinds januari een niet onaanzienlijk aantal grammen kwijt, maar al zou ik dúizend gram - nee, tíenduizend gram zijn verloren, dan nog zou ik geen millimeter stijgen.
Hoe komt het dat een vos dan wel zo licht kan zijn? Of is het helemaal geen kwestie van lijfelijk gewicht? Immers, een kind van hetzelfde aantal kilo's zal dezelfde helling nimmer kunnen nemen. Zijn het de spieren dan? Er zijn mensen, van gering gewicht, met meer spieren... Nee, de lichtheid van de vos, de zorgeloosheid waarmee hij rond rent en danst en dartelt, is mogelijk doordat hij geen geweten heeft!
Want is dat niet wat de mens onderscheidt van de rest van de dieren: zijn geweten? Het is niet zijn taal; varkens hebben een arsenaal van tientallen knorgeluiden om hun stemming te communiceren met soortgenoten. En zelfs kippen, toch niet de slimste van Gods danwel Darwins creaturen, hebben heel wat meer in hun mars dan louter 'tok'. Het is evenmin een god die de mens scheidt van het dier; de atheïst mag door velen als een beest worden beschouwd, maar dat zal nimmer letterlijk worden bedoeld.
Nee, het dier verschilt fundamenteel van de mens doordat het geen geweten kent. Terecht stelt Bengt Ohlsson in zijn prachtige roman 'Gregorius' (ik kom daar later op terug) dat het enige dat maakt dat een muis zijn zwakste jongen verstoot, het gebrek is aan besef van goed en kwaad. En hoezeer de mens ook probeert die zwakste boreling juist te beschermen, door het terug te leggen in zijn nest, moeder muis zal de kleine andermaal wegduwen en - ondenkbaar voor ons! - tot slot zelfs opeten. Waar je overigens niet lichter van wordt, maar dat terzijde.
Ons geweten - samentrekking van ge, dat oorspronkelijk 'samen' betekende, en weten - bindt ons weliswaar en is uit sociaal oogpunt een groot goed, maar het maakt ons ook zwaar. Nimmer lichtzinnig, nimmer luchthartig, maar eerder zwaar op de hand en met een zwaar gemoed. Een zwaarte die schril afsteekt tegen de lichtheid van vos, maar tegelijk een die ons op het rechte pad houdt. Het pad naar boven, achter Maison Bellevue

zaterdag 6 maart 2010

Loiseau (3): De Weduwe










Dominique Brunet (1953) werd geboren in het Parijse voorstadje Neuilly en groeide op in de Elzas, in een straatarm gezin. 'De meeste ooms konden nauwelijks Frans lezen of zelfs maar spreken', biecht zij op tegenover Rudolph Chelminski, auteur van Bernard Loiseau's biografie 'De Perfectionist'. Des te groter het contrast met de Dominique van nu: een zelfverzekerde, gracieuze vrouw, die ondanks haar staat van dienst (in de keuken van Relais Bernard Loiseau hangt een foto waarop president Sarkozy van Frankrijk haar de versierselen opspeldt behorende bij haar toetreding tot het Legioen van Eer - zie foto) uiterst bescheiden is gebleven.
Toch is het deze Dominique, moeder van drie kinderen Loiseau, die een concern leidt dat tot de meest succesvolle gastronomische ondernemingen van Frankrijk kan worden gerekend. Want niet alleen wist zij na de zelfmoord van haar man het oude La Côte d'Or nog meer stijl en klasse te geven (en een nieuwe naam: Relais Bernard Loiseau), zij opende bovendien twee zaken in Parijs (Tante Louise en Tante Marguerite), plus een 'wijnrestaurant' in Beaune: Loiseau des Vignes. Alsof dat niet genoeg tijd kost, werd ze in november 2005 tevens benoemd tot vice-president van de prestigieuze horeca-keten Relais et Chateaux.
Des te bewonderenswaardiger is het dat Dominique Loiseau in het restaurant van wijlen haar man élke dag langs gaat bij álle gasten. Zoals zij dat de eerste keer deed, toen wij te gast waren van onze vrienden Richard en Ingrid: opeens stond ze aan onze tafel, timide, schuchter haast, maar een en al voorkomendheid en oprechte interesse.
Toen Elly en ik in 2009 ter gelegenheid van ons achtjarig huwelijk samen naar 'Loiseau' togen, verscheen Dominique andermaal aan onze tafel. En ze kon zich onze eerste ontmoeting 'met die chef-kok en zijn vrouw uit Holland' nog herinneren!
Haar actes de présence bij elke gast van haar restaurant zijn op zich slopend genoeg; ze kruist heen en weer van de ene naar de andere zaal, om gasten niet het gevoel te geven dat ze plichtmatig worden afgewerkt. Maar er speelt nog een psychologisch effect dat niet kan worden onderschat. Immers, bij iedere gast weer is Dominique Loiseau de betreurde weduwe...
Iedere volwassene die een naaste heeft verloren kent het gevoel: je wordt gade geslagen met compassie en medeleven en je verdriet lijkt in de handen van de omstanders wel je zwaarst wegende eigenschap. Wat in het kwadraat geldt bij een verlies na zelfdoding. Na verloop van weken of maanden maar toch zeker jaren, herstelt de balans zich wel: je eigen aardigheden (of eigenaardigheden, zo je wilt) komen een voor een weer bovendrijven en de weging van je verdriet wordt minder en verdwijnt.
Zo niet bij Dominique Loiseau. Immers, het aantal mensen dat zij ontmoet is vele malen groter dan het netwerk van gewone stervelingen omvat: het is onuitputtelijk. En waar al die nieuwe gezichten normaal gesproken niets weten van het drama dat zich ooit afspeelde, kent letterlijk iedere bezoeker van Relais Bernard Loiseau (en van al die Parijse tantes en wijngerelateerde zusjes) het treurige einde van wijlen haar man. Zodat zij bij elke ontmoeting weer die betreurde weduwe is, zeven lange jaren nu al...
Dominique Loiseau moet over een uitzonderlijke kracht beschikken om elke dag weer die talloze confrontaties aan te gaan. Om bij elk bezoekje aan tafel opnieuw die meelevende blikken te zien van even zovele gasten: 'We hebben met je te doen, meisje. Wat moet het een schok voor je zijn geweest...'
Ja, ook ik heb met Dominique Loiseau te doen. Maar niet zozeer meer omdat haar man zich van het leven beroofde. En niet eens meer omdat hij dat deed met het jachtgeweer dat zíj hem voor zijn verjaardag had gegeven. Nee, ik heb met haar te doen vanwege die dagelijkse oefening in het weerstaan van piëteit. Het zal haar zwaarste gang zijn. Een gang die eeuwig duurt.

(Bron: De Perfectionist van Rudolph Chelminski)

Loiseau (2): De Wijn





Bernard Loiseau was geen grote drinker. Wat niet wegneemt dat hij zijn wijnen kende! Toen Claude Verger in 1975 het voorheen zo gerennomeerde La Côte d'Or in Saulieu kocht (de grote Alexandre Dumaine kookte er ooit drie sterren, maar zijn opvolger François Minot bakte er niet veel van), lag de wijnkelder vol. Met Bordeaux! Ofschoon de stokoude flessen een fortuin waard waren, weigerde Loiseau, die door Verger in La Côte d'Or was gezet, iets anders te schenken dan Bourgondische wijnen. Zijn culinaire tempel bevond zich immers op een steenworp afstand van het mooiste wijngebied ter wereld?! Zoals Bernard Loiseau in álles het beste wilde, streefde hij dat ook na in zijn cave. En met succes, want in 1990 riep de Associatie van Franse Wijnschrijvers juist zíjn wijnkelder uit tot de beste van het land...
Bernards weduwe Dominique heeft haar man ook daarin willen eren en opende een paar jaar geleden een nieuw restaurant in de stad Beaune, het epicentrum van de wijnwereld: Loiseau des Vignes. Natuurlijk is het een prachtige zaak, mooier nog en in ieder geval veel moderner van sfeer dan het oude La Côte d'Or in Saulieu. En vanzelfsprekend kookt chef-kok Christophe Quéant de sterren van de hemel en is zijn aardappelpuree bij de kalfswang de lekkerste die ik ooit at en ooit zal eten.
Maar dat is niet wat Loiseau des Vignes zo bijzonder maakt. Nee, het uitmuntende zit 'm in de wijn. Dank zij het vernuftige systeem stikstofconservering, waardoor geopende flessen perfect van smaak blijven, heeft Dominique in Beaune maar liefst 70 (!) top-wijnen open. Die kun je dus bestellen per glas (3 tot 45 euro, maar dan heb je ook wat) of zelfs per slok!
Elly en ik kozen als aperitief respectievelijk een witte Givry 1er Cru 'Crausot' van François Lummp uit 2007 en een witte Mercurey 2007 van Bruno Lorenzon (onthoudt die naam allemaal!). Voor het overige lieten we het aan de sommelier over, die ons bij vijf gangen even zovele heerlijkheden schonk.
Voor de kenners/liefhebbers: een Meursault 'Les Tillets' van Denis Carré uit 2007 bij het voorgerecht van vichyssoise (zalfdikke gekoelde soep) van prei en ui met ratte-aardappeltjes, gerookte paling en kaviaar. Een Chassagne-Montrachet 1er Cru 'La Maltroye' van Bernard Moreau uit 2007 bij de coquilles met groene asperges.
Bij het hoofdgerecht (duif voor Elly en genoemde kalfswang voor mij) koos de sommelier voor een Charmes-Chambertin Grand Cru van Joseph Drouhin uit 2001. De neus van deze rode Bourgondiër is aanvankelijk wat vreemd en neigt naar kattenpis (zoals de geur van de schitterende Chileense reserva Tres Palacios Carmenère uit 2002 dat nog veel heftiger doet), maar neem een hapje vlees en de wijn ontpopt zich als de sensatie van de middag!
Bij de kaas (allemaal uit de regio) geen Bourgogne maar een Cotes du Roussillon 'Les Grands Méres' van Domaine des Chênes uit 2005, met heel veel rijp rood fruit. Om weer af te sluiten op Bourgondische grond: bij het dessert van chocola gaat de crémant de Bourgogne rosé van Vitteaux Alberti uitstekend samen.
Waarom ik dit allemaal vertel? Omdat je normaal nooit zoveel mooie wijnen bij elkaar proeft, door het simpele feit dat je een fortuin kwijt bent om vijf van zulke wijnen per fles te bestellen. Toegegeven, ook nu is een proeverij bij Loiseau des Vignes geen alledaags gebeuren (het Menu Découverte kost 75 euro en het wijnarrangement bij de vijf gangen bedraagt 45 euro). Maar daar staat tegenover dat je een gastronomische ervaring hebt die je nimmer nog vergeet. Ook al mis je wel iemand daar in Beaune: Dominique Loiseau zelf. Maar daarover later meer...

Loiseau (1): Het Boek





Misschien wel de beste culinaire biografie speelt zich af op slechts 15 km van Maison Bellevue: 'De Perfectionist' van Rudolph Chelminski. Hoofdpersoon in deze bestseller over 'leven en dood in haute cuisine'- zoals de ondertitel luidt – is de betreurde driesterren-chef Bernard Loiseau van het toenmalige restaurant La Côte d'Or in Saulieu.
Waarom Chelminski's portret zo goed is? Omdat hij minutieus het verscheurde karakter schetst van Loiseau die, zo onderbouwt de auteur, manisch depressief was. Vol bewondering beschrijft Chelminski de onstuitbare energie in de vele jaren dat Bernard Loiseau zijn imperium opbouwde; áltijd met een brede lach, die – naast klassieke gerechten als jambonnettes de grenouilles à la puree d'ail et au jus de persil (kikkerbillen in een saus van peterselie met schuimige knoflookpuree) – zijn handelsmerk zou worden.
Maar de super-chef, de tweede kok ooit die toetrad tot het Franse Legioen van Eer, had dus ook een andere kant. De onzekerheid over zijn kwaliteiten, die niet aan hem knaagde maar aan hem vrat. De twijfel of het beste – Loiseau wílde alleen het beste en was inderdaad een perfectionist – wel goed genoeg was. Waar Rudolph Chelminski de manische, niet te stuiten Bernard als een held beschrijft, portretteert hij déze man, zo breekbaar en angstig dat het je naar de keel vliegt, vol mededogen.
Maar de biograaf doet meer. Met het leven van Loiseau belicht hij de historie van de Franse gastronomie in de achterliggende eeuw. Hij wekt de grote chefs tot leven – voor zover dat nog is, want helden als Paul Bocuse en Pierre Troisgros leven gelukkig nog altijd – en beschrijft de ratrace waarin zij hun rondjes draaien, opgejaagd door hun eigen succes, door de culinaire pers en, niet in de laatste plaats, door Michelin.
Ook over deze bandenfabrikant, die meer profiel kreeg door zijn gastronomische gidsen dan door zijn pneus, schrijft Rudolph Chelminski en zijn anekdote over André Michelin is hilarisch. Ruim een eeuw later lijkt het belachelijk, maar voordat de gebroeders Michelin hun buitenband uitvonden met binnenin een rubberband die je kon oppompen, bestonden er eenvoudigweg geen luchtbanden. Nu ja, Dunlop had wel zoiets, maar dat was alleen een buitenband die op de velg werd gelijmd om geen lucht te laten ontsnappen. Dus als je daarmee lek reed, was je drie uur aan het lijmen en moest de boel nog eens een hele nacht drogen ook...
Enfin, Chelminski beschrijft hoe André Michelin vooral dát verschil wilde duidelijk maken. Hij organiseerde een wielerwedstrijd van Clermont-Ferran naar Parijs, waarbij hij zelf in een auto voorop reed. Doorlopend smeet hij kopspijkers uit het raam en aan het eind van de race werden maar liefst 244 lekke banden geteld. Die allemaal bliksemsnel geplakt konden worden, waar de aanwezige pers maar niet over uit kon: over de wedstrijd werd nauwelijks geschreven, het ging alleen maar over Solutie!
Het is slechts een van de vele anekdotes waarmee Rudolph Chelminski 'De Perfectionist' lardeert. De meesten gaan gelukkig over Bernard Loiseau zelf. Zijn leven móest bijna wel eindigen zoals het eindigde: met zijn zelfmoord in februari 2003. De eeuwige twijfel en vretende onzekerheid leken te hebben gewonnen. Léken, want Bernards echtgenote Dominique bracht La Côte d'Or onder de nieuwe naam Relais Bernard Loiseau pas echt tot grote bloei. En voor wie door het lezen van 'De Perfectionist' nieuwsgierig is geworden naar Loiseau's grote creaties, heeft zij een verrassing. De spijskaart toont nog altijd een menu Bernard, dat geheel uit diens klassieke gerechten van weleer bestaat. En die kikkerbillen in peterseliesaus en knoflookpuree, die zijn – om het in Michelin-termen te zeggen – nog altijd 'een echte reis waard'. Omdat dat vanuit Maison Bellevue nauwelijks nodig blijkt - want wat is nu 15 kilometer? - weet ik een ander offer: een stel lekke banden...

donderdag 25 februari 2010

Over de Tong bij 1618





Van onze verslaggever

Heerlijke gerechten en dan ook nog eens de verhalen erachter. Dat staat donderdag 18 maart op het programma in Bodega 1618 in Wijk aan Zee, waar culinair redacteur Jurriaan – Over de Tong – Geldermans een lezersdiner geeft.
Geldermans, die al ruim zeven jaar voor deze krant restaurants beproeft van Texel tot Velsen-Noord en van Alkmaar tot Zaandam, heeft samen met 1618-eigenaar Rick Lauffer een menu samengesteld waarover veel te vertellen is. De amuse is opgebouwd rond coquilles St. Jacques, waarbij de recensent zal ingaan op de religieuze achtergrond van deze naam. De relatie tussen mens en vis door de eeuwen heen staat centraal in het voorgerecht, terwijl het hoofdgerecht van varken aanleiding is te vertellen over het zwijn in culturen waar ook ter wereld.
Met het dessert van crema catalana ten slotte, wordt de gast meegevoerd naar het 'thuisland' van Bodega 1618: Spanje. Want ofschoon de Franse crème brûlée beroemder is, wordt in Catalaanse geschriften al veel eerder melding gemaakt van deze vermaarde vanille-crème met een gebrand suikerlaagje bovenop.
Tijdens het lezersdiner, dat 34,50 euro kost (en 49,50 euro inclusief een wijnarrangement), bestaat tevens gelegenheid de tweede culinaire gids van Geldermans – 'Over de Tong II, íemand moet het doen...' aan te schaffen. De redacteur zal het boekje desgewenst ter plekke signeren of van een opdracht voorzien.
Voor meer informatie en reserveringen: Bodega 1618, 0251 – 744008.
Uit: Dagblad Kennemerland, 27 februari 2010

zondag 21 februari 2010

Sporen in de winter






Beste fans van Bellevue,



Veel mensen denken dat winters in Frankrijk (nog) zachter zijn dan die in Holland. Dat geldt in ieder geval niet pour l'hiver dans le Morvan, want het kan hier tussen half november en begin april lelijk frisjes zijn. Ons persoonlijk kouderecord dateert overigens uit 2005/2006, toen het enkele nachten 21 graden vroor. Dat lijkt uitzonderlijk, maar temperaturen van -15 tot -17 graden Celsius komen elk jaar wel voor.


Deze winter is qua sneeuwval in ieder geval memorable. Dachten we gisterochtend, met louter groen landschap onder een fel blauwe lucht, dat we het lek wel boven hadden, begon het een half uur later toch weer te sneeuwen!


Afgezien dat de vlokken de omgeving tot een ansichtkaart maken en er dus veel valt te genieten langs berg en dal, heeft verse sneeuw nog een ander voordeel: je kunt prachtig de sporen zien van alle wild dat 's nachts door het bos achter Maison Bellevue loopt!


Vossensporen herken je doordat ze hun rechter achterpootjes nauwkeurig in de afdruk van hun linkervoorpootjes plaatsen. En andersom natuurlijk, anders loopt het zo lastig. Daardoor zie je dus een spoor dat van twee poten afkomstig lijkt, ipv van vier. Tussen de zoolafdrukjes in kun je bovendien een sleepbeweging door de sneeuw zien; het heet geloof ik wel een sleepspoor.


De footprints van reeën zijn eenvoudig te herkennen. Ze markeren de sneeuw met slechts twee hoefjes en de diepte geeft de richting van hun gang aan. Denk niet dat je altijd met knapen van herten hebt te maken; soms zie je zo'n spoor onder een heel klein boompje doorgaan...


Verder zijn er opmerkelijk veel kattensporen te zien in het bos. Er leven nog lynx-achtige wilde katten in de Morvan, maar die zullen wel grotere poten hebben. Zouden het sporen kunnen zijn van dassen, die je ook dikwijls aantreft (en dan met name dood langs de kant van de weg, want ze zijn niet handig in het oversteken en Fransen zijn niet handig in remmen)?


Vanmorgen zag ik tijdens een korte wandeling met onze bulldog Ballet voor het eerst heel heldere zwijnensporen. Nota bene op 100 meter achter het huis! Net als bij reeën zie je bij evers (foto) de twee middelste hoeven afgedrukt (hun middel- en ringteen). Maar daar achter zitten nog twee rondere spoortjes van de wijs- en pinkteen. Een duim zullen ze ook wel hebben, maar als een heel varken zich schuil weet te houden, zie je z'n duimen al helemaal niet. Misschien ook maar goed, want een kwaad wild zwijn wil je niet in de buurt hebben. Van mijn oude docent poëzie - Rein Bloem - heb ik geleerd dat ze net zo lang over je heen lopen tot je moes bent. En dan vreten ze je op. Zijn de rollen eens omgedraaid...


Tot later!


Jurriaan