Dank zij het eclatante succes van Maison Bellevue worden thans her en der ter wereld filialen geopend. Ook is inmiddels een toeristisch transportbedrijf geopend onder de naam Bellevue.Om de bedrijfsrisico's te minimaliseren en anderzijds optimaal gebruik te maken van de seizoensinvloeden, zijn de uitbreidingen, die doorgaans op franchise-basis worden geëffectueerd, verspreid over vooralsnog twee continenten: De Verenigde Staten van Amerika en West-Europa. Ook op de Nederlandse Antillen is inmiddels een filiaal geopend.
Laatstgenoemde onderneming - een appartementencomplex - is gevestigd op Bonaire en trekt vooral Nederlandse en Amerikaanse gasten.Gezien de Nederlandse roots van de grondleggers van Bellevue, wekt het geen verbazing dat ook de tweede franchise-onderneming Hollandse wortels heeft: aan de kust van Noord-Holland, om precies te zijn in Egmond aan Zee, staat een even fraai als verfrissend hotel onder de naam Bellevue.Het transportbedrijf - louter voor vervoer van toeristen tussen de uiteenlopende Bellevue-locaties - is veelzijdig van aard, met onder meer eigentijdse scooters. Deze tak van de multinational mikt met name op het jongere publiek, dat zich - zoals bekend - graag onderscheidt in kleur en vorm van het transportmiddel.Voor het vervoer van vakantiegangers in het meer traditionele Amerika en de 'West-Indies' heeft transportbedrijf Bellevue een vloot degelijke Volvo's, die zich onderscheiden door een bescheiden 'Bellevue' net boven de nummerplaat.Dit onderscheid verzekerd een snelle doorgang tijdens verkeersopstoppingen, om zo altijd op tijd het vliegveld te bereiken voor weer een andere Bellevue-locatie.
Er gaan overigens geruchten dat Bellevue binnenkort naar de beurs zal gaan. De grondleggers van de vakantiegigant willen dit bericht evenwel bevestigen noch ontkennen.
zondag 19 augustus 2012
donderdag 2 augustus 2012
Oude ambachten (2): Bloody Sunday
Het begrip Bloody Sunday - in casu de executie van 14 ongewapende Ierse mannen door Britse soldaten op 30 januari 1972 in Derry - is in de Morvan goddank een heel wat vreedzamer idee.
Want als je de zondagse vide grenier (rommelmarkt) van Planchez bezoekt, zo'n 15 km van Bellevue, kan het zo maar gebeuren dat je tegen een bloedrood tafereel aanloopt: het maken van bloedworst door de gebroeders Pierre, Jean et Robert. Stevige mannen allemaal, die trouwens ook patés verkopen en spekbrood. Maar hier gaat het over die boudin noir.
Als eerste wordt 's morgens een grote mobiele kachel aangestoken, met een lange pijp erop waar de rook van het brandende eikenhout uit kolkt. Fikt het vuur eenmaal goed, dan gaat er een pan op met water, die nodig is voor het au bain marie verwarmen van wat komen gaat.
En wat komen gaat is bloed. Jean, de jongste die het gezegde gestand doet dat bazen op hun dieren gaan lijken of andersom, giet pakweg vijftien liter puur varkensbloed in een teil en hangt die provisorisch in het inmiddels hete water. Een paar volle handen varkensreuzel gaan erbij voor een vetje (?!), plus zout, peper en specerijen. Vervolgens kneed Jean met zijn blote bloedige spekkige handen de reuzel fijn, tot het in kleine brokjes door het langzaam warmende bloed zweeft.
Is de inhoud eenmaal warm genoeg - een graad of 50 - dan gaat de teil uit het water en kunnen de varkensdarmen worden gevuld. Daartoe hebben de broers - bloedbroeders zeg maar - de avond ervoor al huiswerk gedaan. Ingewanden schoonspoelen (vooruit, nog maar een keer spoelen) en dan als gezagsgetrouwe naaisters aan één kant van elke lange dunne darm een knoopje leggen. Zo krijg je een soort condoom, van overigens aanzienlijke afmeting.
Maar dat was gisteravond. Nú propt Jean de tuit van een grote vergiet in het open deel van de darm en giet hij er met een enorme pollepel een gestage stroom bloed in. En wat je dan ziet lijkt een wonder: het condoom vult zich automatisch met z'n inhoud, waarbij je als vanzelf een mooie rol worst krijgt?!Jean houdt het eindje van de darm nog een beetje omhoog, zodat de bloedworst goed compact wordt. Is het condoom eenmaal vol, dan gaat de trechter eruit en het knoopje erin en klaar is Jean!
Uhhh, broer Pierre, doet u mij maar een stukje paté...
Want als je de zondagse vide grenier (rommelmarkt) van Planchez bezoekt, zo'n 15 km van Bellevue, kan het zo maar gebeuren dat je tegen een bloedrood tafereel aanloopt: het maken van bloedworst door de gebroeders Pierre, Jean et Robert. Stevige mannen allemaal, die trouwens ook patés verkopen en spekbrood. Maar hier gaat het over die boudin noir.
Als eerste wordt 's morgens een grote mobiele kachel aangestoken, met een lange pijp erop waar de rook van het brandende eikenhout uit kolkt. Fikt het vuur eenmaal goed, dan gaat er een pan op met water, die nodig is voor het au bain marie verwarmen van wat komen gaat.
En wat komen gaat is bloed. Jean, de jongste die het gezegde gestand doet dat bazen op hun dieren gaan lijken of andersom, giet pakweg vijftien liter puur varkensbloed in een teil en hangt die provisorisch in het inmiddels hete water. Een paar volle handen varkensreuzel gaan erbij voor een vetje (?!), plus zout, peper en specerijen. Vervolgens kneed Jean met zijn blote bloedige spekkige handen de reuzel fijn, tot het in kleine brokjes door het langzaam warmende bloed zweeft.
Is de inhoud eenmaal warm genoeg - een graad of 50 - dan gaat de teil uit het water en kunnen de varkensdarmen worden gevuld. Daartoe hebben de broers - bloedbroeders zeg maar - de avond ervoor al huiswerk gedaan. Ingewanden schoonspoelen (vooruit, nog maar een keer spoelen) en dan als gezagsgetrouwe naaisters aan één kant van elke lange dunne darm een knoopje leggen. Zo krijg je een soort condoom, van overigens aanzienlijke afmeting.
Maar dat was gisteravond. Nú propt Jean de tuit van een grote vergiet in het open deel van de darm en giet hij er met een enorme pollepel een gestage stroom bloed in. En wat je dan ziet lijkt een wonder: het condoom vult zich automatisch met z'n inhoud, waarbij je als vanzelf een mooie rol worst krijgt?!Jean houdt het eindje van de darm nog een beetje omhoog, zodat de bloedworst goed compact wordt. Is het condoom eenmaal vol, dan gaat de trechter eruit en het knoopje erin en klaar is Jean!
Uhhh, broer Pierre, doet u mij maar een stukje paté...
woensdag 1 augustus 2012
Oude ambachten (1): bak ze bruin
Geef ons heden ons dagelijks brood. Ofschoon lekker, zo'n baguette, is door dat dagelijkse tegelijk zo saai dat je bijkans in slaap valt. Tenzij je op bezoek gaat bij de bakker...
En dan bedoel ik niet dat je een brood gaat halen bij de bakker, want dat is een pommetje - oeufje. Nee ik bedoel dat je echt in de krochten van de bloedhete bakkerij afdaalt. Liefst met iemand die er verstand van heeft, zodat je een verklaring krijgt voor wat er allemaal gebeurt.Dus vorige week met bakker Hein Raat (Medemblik, Hoorn en binnenkort ook Alkmaar) mee naar Yann Foucher, onze plaatselijke boulanger in Moux. Die staat in het hoogseizoen dagelijks vanaf 3 uur 's nachts te zweten op al zijn broden: de baguette vanzelfsprekend, het gewone maar iets minder populaire pain, de coronne (in de vorm van een kroon), het ferre de cheval (hoefijzervormig), de ficelle (heel dun, een touwtje dus), de bruine pain complet, de cereal (met zaden), de pavé meunier (het brood van de molenaar, in zo'n houten bakje gebakken) en tot slot de donkere bucheron. Dan is daar verder nog de boulle en de boulle geant, een ovaal brood waar je gemakkelijk met tien personen van kunt eten!Van al die broden en broodjes (we hebben het nog niet gehad over croissants en pains au chocolat en andere luxe broodjes, om nog maar te zwijgen van de dagelijkse patisserie in de hoedanigheid van éclaires en allerhande fruitgebak) zijn de baguettes het meest geliefd. In het hoogseizoen bakken Yann en zijn twee helpers er 650 stuks van! Daar heb je pakweg 150 kilogram meel voor nodig (dat stroomt zo vanuit de silo op zolder), anderhalve kilo zout en anderhalve kilo gist, met nog eens ruim honderd liter water. Als ik alle getallen goed heb onthouden. Per keer gaat 50 kilo meel met zout en gist en water in een enorme mengkom (type pan van Obelix), waarna het in twintig minuten tijd door de mechanische mengarm tot een mooi deeg wordt gekneed.
Vervolgens plukt Yann hier op het gevoel steeds flappen van ongeveer 6 kilo uit, die door een andere machine in ongeveer twaalf min of meer rechthoekige porties worden verdeeld. Die gaan in 'hangmatjes' van een paternosterkast om wat te rijzen.Zijn alle flappen zo verdeeld en is de kuip leeg, dan maakt dezelfde paternoster-installatie lange slierten van de deeghompen, die met de hand in een doek worden gevleid. Ze worden ingepakt, de volgende komt er lekker warm tegenaan te liggen en als een heel rek vol is met van die baguettes in wording, gaat het in een rijdende stellage waar nog veertig andere rekken in passen.
Even tussendoor: dit speelt zich allemaal rond een uur of tien in de ochtend af het het betreft hier de voorbereidingen voor het brood voor de dag erná! Het brood van de dag zelve is dan dus allang gebakken, goeddeels verkocht en denkelijk opgepeuzeld.
Enfin, die hele rijdende stellage gaat uiteindelijk de koeling in om het brood niet - letterlijk en figuurlijk - de pan uit te laten rijzen. Pas de volgende ochtend om 3 uur gaan dan de ovens aan en als je rond een uur of 9 naar de bakker loopt of een uurtje later de bakkerswagen van Gina hoort toeteren voor het hek van Maison Bellevue, dan krijg je warm brood aangereikt. Brood saai? Nee, brood is bloed-interessant!
PS. Over bloed gesproken, morgen gaat het in de serie oude ambachten over het maken van bloedworst.
En dan bedoel ik niet dat je een brood gaat halen bij de bakker, want dat is een pommetje - oeufje. Nee ik bedoel dat je echt in de krochten van de bloedhete bakkerij afdaalt. Liefst met iemand die er verstand van heeft, zodat je een verklaring krijgt voor wat er allemaal gebeurt.Dus vorige week met bakker Hein Raat (Medemblik, Hoorn en binnenkort ook Alkmaar) mee naar Yann Foucher, onze plaatselijke boulanger in Moux. Die staat in het hoogseizoen dagelijks vanaf 3 uur 's nachts te zweten op al zijn broden: de baguette vanzelfsprekend, het gewone maar iets minder populaire pain, de coronne (in de vorm van een kroon), het ferre de cheval (hoefijzervormig), de ficelle (heel dun, een touwtje dus), de bruine pain complet, de cereal (met zaden), de pavé meunier (het brood van de molenaar, in zo'n houten bakje gebakken) en tot slot de donkere bucheron. Dan is daar verder nog de boulle en de boulle geant, een ovaal brood waar je gemakkelijk met tien personen van kunt eten!Van al die broden en broodjes (we hebben het nog niet gehad over croissants en pains au chocolat en andere luxe broodjes, om nog maar te zwijgen van de dagelijkse patisserie in de hoedanigheid van éclaires en allerhande fruitgebak) zijn de baguettes het meest geliefd. In het hoogseizoen bakken Yann en zijn twee helpers er 650 stuks van! Daar heb je pakweg 150 kilogram meel voor nodig (dat stroomt zo vanuit de silo op zolder), anderhalve kilo zout en anderhalve kilo gist, met nog eens ruim honderd liter water. Als ik alle getallen goed heb onthouden. Per keer gaat 50 kilo meel met zout en gist en water in een enorme mengkom (type pan van Obelix), waarna het in twintig minuten tijd door de mechanische mengarm tot een mooi deeg wordt gekneed.
Vervolgens plukt Yann hier op het gevoel steeds flappen van ongeveer 6 kilo uit, die door een andere machine in ongeveer twaalf min of meer rechthoekige porties worden verdeeld. Die gaan in 'hangmatjes' van een paternosterkast om wat te rijzen.Zijn alle flappen zo verdeeld en is de kuip leeg, dan maakt dezelfde paternoster-installatie lange slierten van de deeghompen, die met de hand in een doek worden gevleid. Ze worden ingepakt, de volgende komt er lekker warm tegenaan te liggen en als een heel rek vol is met van die baguettes in wording, gaat het in een rijdende stellage waar nog veertig andere rekken in passen.
Even tussendoor: dit speelt zich allemaal rond een uur of tien in de ochtend af het het betreft hier de voorbereidingen voor het brood voor de dag erná! Het brood van de dag zelve is dan dus allang gebakken, goeddeels verkocht en denkelijk opgepeuzeld.
Enfin, die hele rijdende stellage gaat uiteindelijk de koeling in om het brood niet - letterlijk en figuurlijk - de pan uit te laten rijzen. Pas de volgende ochtend om 3 uur gaan dan de ovens aan en als je rond een uur of 9 naar de bakker loopt of een uurtje later de bakkerswagen van Gina hoort toeteren voor het hek van Maison Bellevue, dan krijg je warm brood aangereikt. Brood saai? Nee, brood is bloed-interessant!
PS. Over bloed gesproken, morgen gaat het in de serie oude ambachten over het maken van bloedworst.
dinsdag 31 juli 2012
Gezocht: kleine kunstenaar
Het is een raadsel. Loop je in het bos achter Bellevue, ligt daar zoals altijd die enorme houtstapel. Niks nieuws zou je zeggen, behalve dan dat je opeens ziet dat er een gezicht is getekend op één van die stammen. Een kunstwerkje laag bij de grond en dat is letterlijk bedoeld: je moet als volwassene op je buik gaan liggen om het zo te kunnen maken. Maar als kind kun je blijven staan, of desnoods hurken...
Maar welk kind gaat er met een potlood het bos in om een gezicht te tekenen? En dan nog zo vaardig ook, met die mond die er van nature al was???
Dus, gezocht: kleine kunstenaar!
Maar welk kind gaat er met een potlood het bos in om een gezicht te tekenen? En dan nog zo vaardig ook, met die mond die er van nature al was???
Dus, gezocht: kleine kunstenaar!
woensdag 25 juli 2012
Asterix en Obelix in het echie
De Fransen (en de Hollanders) stikken van de vooroordelen over de oude bewoners van het land van Marianne: de Galliërs. Alésia, een nieuw museumpark nabij het slagveld van weleer, rekent daar voorgoed mee af.
Dat slagveld heet Alésia en het is daar dat in 52 voor Christus niemand minder dan Julius Caesar het opnam tegen de Gallische leider Vercingetorix (jawel, uit Asterix en Obelix). Caesar had circa 14.000 manschappen bij zich, Vercingetorix telde er zo'n 40.000. Toch wist de eerste te winnen, domweg doordat de arme Galliërs zich stuk liepen op het georganiseerde leger van de Romeinen. Caesar nam zijn opponent mee naar Rome om hem tijdens zijn triomftocht door de stad als oorlogsbuit te tonen en ter dood te laten brengen.
Afbeeldingen van Vercingetroix tonen steevast een imposant man met lange haren en een grote hangsnor. Hij oogt woest en als hij zijn leger aanvoert, dan zal het geheel wel een chaotische horde vechtersbazen zijn à la de Schotten in de film Braveheart met Mel Gibson in de hoofdrol.
Al dit soort vooroordelen, ontstaan aan het einde van de negentiende eeuw, toen Frankrijk verdeeld was en Napoleon III uit alle macht probeerde een historie te schrijven waarin alle Fransen zich zouden herkennen, worden in Alesia vakkundig om zeep geholpen. Inderdaad, de Galliërs gebruikten - net als de Romeinen - al zeep om zich te wassen, dus zulke smeerpoetsen zullen het wel niet zijn geweest. Bovendien vochten zij zeer dapper én gedisciplineerd en hadden ze kunstjes waar Caesar nog een puntje aan kon zuigen. Zo waren er levende 'bommen' die zich aan de staart van een galopperend Gallisch paard lieten meeslepen. Vlak voordat het paard de Romeinse schildenrij zou binnenstormen, zwenkte de ruiter het dier naar rechts of links, waarbij de staartenhanger als door een katapult gelanceerd over de schildenrij heen vloog, om al maaiend met zijn zwaard neer te komen. En te sterven...
Enfin, over het uiterlijk van Vercingetorix is niks bekend, maar over het algemeen schoren de Galliërs zich en hadden ze kort haar. Dat het 6,5 meter hoge standbeeld van de Gallische leider - even verderop bij Alésia - toch lange lokken heeft en een hangsnor, is aan diezelfde Napoleon III te danken. Die stond nota bene zelf model voor het beeld, dus een beetje hoogmoedswaan komt er wel bij kijken.
In het museum wordt de aanloop naar de strijd duidelijk gemaakt, terwijl in een film de eigenlijke slag bij Alesia is verbeeld.
Voor wie nog eens goed wil kijken hoe dat vechten eigenlijk ging, worden in een Romeins fort buiten het museum bovendien demonstraties gegeven. Galliërs tegen Romeinen, beide groepen gewapend met speren en zwaarden en beschermd door schilden en maliënkolders. En dan zie je hoe slim die laatsten vochten: in hun bataljon wisselden de voorste soldaten en de collega's achter hen elke halve minuut van plaats, waardoor die arme Galliërs steeds een nieuwe tegenstander hadden die nog vers was, terwijl ze zelf uitgeput raakten door al dat gemep.
Kortom, MuseóParc Alésia (een uurtje rijden van Bellevue en met 9 euro entree voor volwassenen vriendelijk geprijsd) is zeer de moeite waard. Zij het dat kinderen jonger dan zes jaar er niet veel te zoeken hebben. En je moet niet vergeten zo'n blauw mobieltje te pakken, om het verhaal van Caesar en Vercingetorix te horen. Veel plezier!
PS. Vergeet niet te genieten van het gebouw, ontworpen doorBernard Tschumi, die met de ronde vorm de omsingeling van Vercingetorix en zijn troepen symboliseert. Mooi!
Dat slagveld heet Alésia en het is daar dat in 52 voor Christus niemand minder dan Julius Caesar het opnam tegen de Gallische leider Vercingetorix (jawel, uit Asterix en Obelix). Caesar had circa 14.000 manschappen bij zich, Vercingetorix telde er zo'n 40.000. Toch wist de eerste te winnen, domweg doordat de arme Galliërs zich stuk liepen op het georganiseerde leger van de Romeinen. Caesar nam zijn opponent mee naar Rome om hem tijdens zijn triomftocht door de stad als oorlogsbuit te tonen en ter dood te laten brengen.
Afbeeldingen van Vercingetroix tonen steevast een imposant man met lange haren en een grote hangsnor. Hij oogt woest en als hij zijn leger aanvoert, dan zal het geheel wel een chaotische horde vechtersbazen zijn à la de Schotten in de film Braveheart met Mel Gibson in de hoofdrol.
Al dit soort vooroordelen, ontstaan aan het einde van de negentiende eeuw, toen Frankrijk verdeeld was en Napoleon III uit alle macht probeerde een historie te schrijven waarin alle Fransen zich zouden herkennen, worden in Alesia vakkundig om zeep geholpen. Inderdaad, de Galliërs gebruikten - net als de Romeinen - al zeep om zich te wassen, dus zulke smeerpoetsen zullen het wel niet zijn geweest. Bovendien vochten zij zeer dapper én gedisciplineerd en hadden ze kunstjes waar Caesar nog een puntje aan kon zuigen. Zo waren er levende 'bommen' die zich aan de staart van een galopperend Gallisch paard lieten meeslepen. Vlak voordat het paard de Romeinse schildenrij zou binnenstormen, zwenkte de ruiter het dier naar rechts of links, waarbij de staartenhanger als door een katapult gelanceerd over de schildenrij heen vloog, om al maaiend met zijn zwaard neer te komen. En te sterven...
Enfin, over het uiterlijk van Vercingetorix is niks bekend, maar over het algemeen schoren de Galliërs zich en hadden ze kort haar. Dat het 6,5 meter hoge standbeeld van de Gallische leider - even verderop bij Alésia - toch lange lokken heeft en een hangsnor, is aan diezelfde Napoleon III te danken. Die stond nota bene zelf model voor het beeld, dus een beetje hoogmoedswaan komt er wel bij kijken.
In het museum wordt de aanloop naar de strijd duidelijk gemaakt, terwijl in een film de eigenlijke slag bij Alesia is verbeeld.
Voor wie nog eens goed wil kijken hoe dat vechten eigenlijk ging, worden in een Romeins fort buiten het museum bovendien demonstraties gegeven. Galliërs tegen Romeinen, beide groepen gewapend met speren en zwaarden en beschermd door schilden en maliënkolders. En dan zie je hoe slim die laatsten vochten: in hun bataljon wisselden de voorste soldaten en de collega's achter hen elke halve minuut van plaats, waardoor die arme Galliërs steeds een nieuwe tegenstander hadden die nog vers was, terwijl ze zelf uitgeput raakten door al dat gemep.
Kortom, MuseóParc Alésia (een uurtje rijden van Bellevue en met 9 euro entree voor volwassenen vriendelijk geprijsd) is zeer de moeite waard. Zij het dat kinderen jonger dan zes jaar er niet veel te zoeken hebben. En je moet niet vergeten zo'n blauw mobieltje te pakken, om het verhaal van Caesar en Vercingetorix te horen. Veel plezier!
PS. Vergeet niet te genieten van het gebouw, ontworpen doorBernard Tschumi, die met de ronde vorm de omsingeling van Vercingetorix en zijn troepen symboliseert. Mooi!
zaterdag 30 juni 2012
Geen slimme vos
Bij gebrek aan echte natuurlijke vijanden, wemelt het in de Morvan van de vossen. Dat heeft zo zijn prijs...
Onze voormalige slager is er dol op: jagen op Reintje de Vos. Dikwijls zie je hem aan het einde van de middag het bos in gaan, met zijn zoontje Geralde. Zonder geweer overigens, maar met pijl en boog! Wat de moeilijkheidsgraad van de jacht uiteraard buitengewoon hoog maakt. Je moet je prooi immers heel dicht naderen om een goede schietkans te hebben. En in de buurt komen, dat valt bij een vos niet mee. We hebben Sebastien en Geralde dan ook nog nooit met een buit zien terugkeren.
De vos is niet erg gezien in onze streek. Sterker, als je met een vossenstaart binnenloopt bij de gemeente, krijg je vijftien euro cadeau. Subsidie om het aantal dieren terug te draaien. Want elke boer is bezorgd om zijn kippen. Ook weer niet zo bezorgd dat-ie ze 's nachts gewoon goed opsluit, want dan is er niks aan de hand. Nee, de bezorgdheid is meer een excuus voor de jacht.
Het verkeer helpt helaas ook bij het terugdringen van de vossenstand. En het moet gezegd: dikwijls zie je ze de weg overschieten en soms is een botsing nog maar nét te voorkomen.Dat geluk had een jonge vos gisteren niet. Onze vrienden Hans en Annette vonden het arme beest na een borrel bij ons in de moestuin. Hij lag nota bene op het weggetje naar Bellevue toe en was nog warm. Op klaarlichte dag overreden dus. Geen slimme vos.
We hebben het beestje achterin de Rodeo gelegd voor een laatste ritje en begraven naast Ballet, Koosje en Bobby. En dichter nog bij Françoise Sagan, Jeanne d'Arc en al die andere kippen die ooit - eveneens op klaarlichte dag en dus niet opgesloten maar vrij in de wei - door een vos werden vermoord. Misschien schenkt dat enige genoegdoening voor ze. Maar de compassie gaat toch uit naar de jonge vos dit keer. Dus op het verse graf staat een klein beeldje van een kip. Een schrale troost.
Onze voormalige slager is er dol op: jagen op Reintje de Vos. Dikwijls zie je hem aan het einde van de middag het bos in gaan, met zijn zoontje Geralde. Zonder geweer overigens, maar met pijl en boog! Wat de moeilijkheidsgraad van de jacht uiteraard buitengewoon hoog maakt. Je moet je prooi immers heel dicht naderen om een goede schietkans te hebben. En in de buurt komen, dat valt bij een vos niet mee. We hebben Sebastien en Geralde dan ook nog nooit met een buit zien terugkeren.
De vos is niet erg gezien in onze streek. Sterker, als je met een vossenstaart binnenloopt bij de gemeente, krijg je vijftien euro cadeau. Subsidie om het aantal dieren terug te draaien. Want elke boer is bezorgd om zijn kippen. Ook weer niet zo bezorgd dat-ie ze 's nachts gewoon goed opsluit, want dan is er niks aan de hand. Nee, de bezorgdheid is meer een excuus voor de jacht.
Het verkeer helpt helaas ook bij het terugdringen van de vossenstand. En het moet gezegd: dikwijls zie je ze de weg overschieten en soms is een botsing nog maar nét te voorkomen.Dat geluk had een jonge vos gisteren niet. Onze vrienden Hans en Annette vonden het arme beest na een borrel bij ons in de moestuin. Hij lag nota bene op het weggetje naar Bellevue toe en was nog warm. Op klaarlichte dag overreden dus. Geen slimme vos.
We hebben het beestje achterin de Rodeo gelegd voor een laatste ritje en begraven naast Ballet, Koosje en Bobby. En dichter nog bij Françoise Sagan, Jeanne d'Arc en al die andere kippen die ooit - eveneens op klaarlichte dag en dus niet opgesloten maar vrij in de wei - door een vos werden vermoord. Misschien schenkt dat enige genoegdoening voor ze. Maar de compassie gaat toch uit naar de jonge vos dit keer. Dus op het verse graf staat een klein beeldje van een kip. Een schrale troost.
vrijdag 22 juni 2012
Muziek maken
De langste dag van het jaar - 21 juni - wordt in heel Frankrijk steevast met muziek gevierd. Een idee van radioverslaggever Joel Cohen, die in 1978 opperde om een dag per jaar allerlei amateur musici de mogelijkheid te geven hun kunsten op straat te laten horen. Toenmalig Minister van Cultuur Jack Lang nam het idee graag over en sinds 1981 is 21 juni dus de dag van les fêtes de la musique (goed Frans voor muziekfeesten, maar als je het uitspreekt zeg je ook 'muziek maken'=faites de la musique!).
Ofschoon nog jong, is het in de achterliggende decennia een heuse traditie geworden, waarbij cafés vergunning krijgen langer open te zijn en complete straten mogen worden afgesloten voor verkeer. In de steden hebben de (gratis) concerten dikwijls een professioneel karakter, maar op het platteland is het allemaal kneuterigheid troef. In de positieve zin des woords.
Dat is het in Lucenay l'Evèque (15 km van Bellevue) eveneens, als tijdens de langste dag van het jaar een tent wordt opgezet langs de oever van het riviertje Le Ternin, waar 's avonds iedere inwoner die ook maar iets speelt (gitaar, fluit, trekzak, stemband, eerste viool, accordeon, cello) op klautert om iets te laten horen. Zoals de eindeloze versies van Apache van The Shadows gisteravond, ten gehore gebracht door de muziekleraar van het dorp. Of een zangpartijtje van een stel meisjes, dat een hitje van K3 ten beste gaf. Of een akoestisch gitarist met een beste stem en een opvallend goede uitspraak van het Engels (voor een Fransman dan). En natuurlijk de schitterende chançons door Dani, die moederziel alleen op het podium een betoverende La Vie en Rose liet horen.
Hoogtepunt was gisteravond wel het optreden van MB4, van de Nederlandse Morvandiaux Henk (gitaar en zang), Marcel (bas), Peter (gitaar en zang) en Menno (drums). Ouderwetse rock 'n roll, waarop uiteindelijk flink werd gedanst, terwijl de kleine kinderen mee swingden en op hun step over de dansvloer sjeesden.
Voeg daarbij de patatten (geserveerd in een koffiefilter, haha!), knakworsten en lauwe witte wijn van de organisatoren, maar ook de wraps en lekkere róde wijn van Ellen en Menno van La Roseraie (het hotel-restaurant aan de oever van dezelfde rivier) en je begrijpt het: zorg dat je er volgend jaar bij bent op het fête de la musique van Lucenay!
Ofschoon nog jong, is het in de achterliggende decennia een heuse traditie geworden, waarbij cafés vergunning krijgen langer open te zijn en complete straten mogen worden afgesloten voor verkeer. In de steden hebben de (gratis) concerten dikwijls een professioneel karakter, maar op het platteland is het allemaal kneuterigheid troef. In de positieve zin des woords.
Dat is het in Lucenay l'Evèque (15 km van Bellevue) eveneens, als tijdens de langste dag van het jaar een tent wordt opgezet langs de oever van het riviertje Le Ternin, waar 's avonds iedere inwoner die ook maar iets speelt (gitaar, fluit, trekzak, stemband, eerste viool, accordeon, cello) op klautert om iets te laten horen. Zoals de eindeloze versies van Apache van The Shadows gisteravond, ten gehore gebracht door de muziekleraar van het dorp. Of een zangpartijtje van een stel meisjes, dat een hitje van K3 ten beste gaf. Of een akoestisch gitarist met een beste stem en een opvallend goede uitspraak van het Engels (voor een Fransman dan). En natuurlijk de schitterende chançons door Dani, die moederziel alleen op het podium een betoverende La Vie en Rose liet horen.
Hoogtepunt was gisteravond wel het optreden van MB4, van de Nederlandse Morvandiaux Henk (gitaar en zang), Marcel (bas), Peter (gitaar en zang) en Menno (drums). Ouderwetse rock 'n roll, waarop uiteindelijk flink werd gedanst, terwijl de kleine kinderen mee swingden en op hun step over de dansvloer sjeesden.
Voeg daarbij de patatten (geserveerd in een koffiefilter, haha!), knakworsten en lauwe witte wijn van de organisatoren, maar ook de wraps en lekkere róde wijn van Ellen en Menno van La Roseraie (het hotel-restaurant aan de oever van dezelfde rivier) en je begrijpt het: zorg dat je er volgend jaar bij bent op het fête de la musique van Lucenay!
maandag 18 juni 2012
Kwaad kersen eten
Niets geeft zo'n zomers gevoel als een schaal vol verse kersen in een pas gemaaid weiland, waarvan het hooi juist is geschud...
Geen idee hoelang de mensen al kersen kweken. In ieder geval in de tijd van de oude Grieken al, zoals de tekst 'Het Drinkgelag' van de grote filosoof Plato (327-247 voor Chr.) bewijst. Daarin komt de blijspeldichter Aristophanes aan het woord om zijn kijk op de essentie van de liefde te geven. Volgens de dichter waren de mensen in de Griekse oertijd, toen alleen oppergod Zeus er zo'n beetje was, heel anders dan nu. Ze hadden een volmaakt ronde vorm, met twee gezichten, vier benen en vier armen en door al die ledematen als een razende te bewegen, rolden zij met een rotgang over Zeus' aardkloot. Verder waren ze heel intelligent, knap van uiterlijk en buitengewoon vruchtbaar: al rollend storten zij hun zaad in de grond en daaruit groeiden dan weer nieuwe, bolvormige mensjes, letterlijk zoals spruiten.
Een mens die zo volmaakt is, moet wel hoogmoedig worden. En als Zeus nu ergens een pleurishekel aan heeft, dan is het wel hoogmoed. Dus sneed hij de mens - en nu komt het - 'doormidden gelijk gedroogde morellen'. Morellen zijn dus kersen, hè, waarmee is bewezen dat drie eeuwen voor Christus al kersen werden gegeten. Hoe het verhaal afloopt? Al die halve mensen waren vanaf dat moment ontroostbaar want Zeus verstrooide hen in zijn woede over de ganse aardbol. En vind dan je wederhelft (!), partner (!) of beste helft (!) maar weer eens terug. Enfin, Zeus kreeg spijt, deed wat ingrepen zodat de mens zich in ieder geval weer kon voortplanten en zo is het tot op de dag van vandaag gebleven (tussen haakjes: onze navel komt dus niet van de navelstreng, maar daar zijn we dichtgenaaid na het doormidden snijden, snappie?).
De kern van dit verhaal van Aristophanes is dat de mens maar één ware liefde heeft in het leven (dream on, Ari). En dat je oppergod Zeus dient te eren door dikwijls de liefde te bedrijven, want daartoe heeft hij zijn extra ingreep gepleegd.
Over goden gesproken, de weergoden zijn de Franse kersen in 2012 niet erg goed gezind. Kwaad kersen eten met ze, zo gezegd, want eerst vroor het toen de bloesem aan de bomen zat en daarna werd het veel te nat. Zodat de rijping van wát er groeide niet vlotte. Onze eigen kersenboom op Bellevue is het bewijs: zegge en schrijve één kersje hangt eraan en het is nog maar de vraag of die het haalt.
Julie uit Lyon stond ook al met veel minder kersen dan gebruikelijk langs de kant van de weg tussen Saulieu en Avallon. Nog zo'n zomers beeld, haar kersstal (niet te verwarren met kerststal) onder de feesttent in het wuivend weiland. Maar binnen die tent is het geen feest, want de bodem van de kisten vol cerises Anglaises en Earls was gauw in zicht. Misschien krijgt Zeus weer spijt en schenkt hij ons na een nat voorjaar en prachtige, lange zomer...
Geen idee hoelang de mensen al kersen kweken. In ieder geval in de tijd van de oude Grieken al, zoals de tekst 'Het Drinkgelag' van de grote filosoof Plato (327-247 voor Chr.) bewijst. Daarin komt de blijspeldichter Aristophanes aan het woord om zijn kijk op de essentie van de liefde te geven. Volgens de dichter waren de mensen in de Griekse oertijd, toen alleen oppergod Zeus er zo'n beetje was, heel anders dan nu. Ze hadden een volmaakt ronde vorm, met twee gezichten, vier benen en vier armen en door al die ledematen als een razende te bewegen, rolden zij met een rotgang over Zeus' aardkloot. Verder waren ze heel intelligent, knap van uiterlijk en buitengewoon vruchtbaar: al rollend storten zij hun zaad in de grond en daaruit groeiden dan weer nieuwe, bolvormige mensjes, letterlijk zoals spruiten.
Een mens die zo volmaakt is, moet wel hoogmoedig worden. En als Zeus nu ergens een pleurishekel aan heeft, dan is het wel hoogmoed. Dus sneed hij de mens - en nu komt het - 'doormidden gelijk gedroogde morellen'. Morellen zijn dus kersen, hè, waarmee is bewezen dat drie eeuwen voor Christus al kersen werden gegeten. Hoe het verhaal afloopt? Al die halve mensen waren vanaf dat moment ontroostbaar want Zeus verstrooide hen in zijn woede over de ganse aardbol. En vind dan je wederhelft (!), partner (!) of beste helft (!) maar weer eens terug. Enfin, Zeus kreeg spijt, deed wat ingrepen zodat de mens zich in ieder geval weer kon voortplanten en zo is het tot op de dag van vandaag gebleven (tussen haakjes: onze navel komt dus niet van de navelstreng, maar daar zijn we dichtgenaaid na het doormidden snijden, snappie?).
De kern van dit verhaal van Aristophanes is dat de mens maar één ware liefde heeft in het leven (dream on, Ari). En dat je oppergod Zeus dient te eren door dikwijls de liefde te bedrijven, want daartoe heeft hij zijn extra ingreep gepleegd.
Over goden gesproken, de weergoden zijn de Franse kersen in 2012 niet erg goed gezind. Kwaad kersen eten met ze, zo gezegd, want eerst vroor het toen de bloesem aan de bomen zat en daarna werd het veel te nat. Zodat de rijping van wát er groeide niet vlotte. Onze eigen kersenboom op Bellevue is het bewijs: zegge en schrijve één kersje hangt eraan en het is nog maar de vraag of die het haalt.
Julie uit Lyon stond ook al met veel minder kersen dan gebruikelijk langs de kant van de weg tussen Saulieu en Avallon. Nog zo'n zomers beeld, haar kersstal (niet te verwarren met kerststal) onder de feesttent in het wuivend weiland. Maar binnen die tent is het geen feest, want de bodem van de kisten vol cerises Anglaises en Earls was gauw in zicht. Misschien krijgt Zeus weer spijt en schenkt hij ons na een nat voorjaar en prachtige, lange zomer...
vrijdag 1 juni 2012
De paarden op, de lanen in
Naarmate je ouder wordt, keer je meer en meer terug naar je jeugd. Vandaar dat ik alleen nog maar Dylan draai. En weer ben gaan paardrijden...
Mooier dan de vallei van Sommant - 20 minuten rijden van Bellevue - kan een streek niet zijn voor een ritje te paard. En juist in het dorpje Sommant, in het hart van die kom tussen de heuvels, ligt het centre equestre À Hue et à Dia. Niet zo maar een manege, maar een stoeterij waar met name Arabieren worden gefokt (we hebben het hier over het paardenras). Ruim 120 paarden lopen rond op de 65 ha. weidegrond rond Sommant en dat is alleen al een lust voor het oog.
Gelukkig kun je er - door een samenwerking tussen Maison Bellevue en de eigenaren - ook paarden huren om mee het bos in te trekken. En dat kan zonder begeleiding van de manege uit, zij het dat ik zelf als tolk en gids wel mee ga. De paarden op, de lanen in...
De tochten die je zo, gedurende pakweg twee uur maakt, zijn weergaloos. Je trekt door boerenland, over smalle bospaden, langs weidse weiden en door de bossen zelf.
De ondergrond is nu eens hard zodat de tocht stapvoets gaat en alle aandacht aan de omgeving gegeven kan worden. Op zachte ondergrond gaat het in draf of galop, door riviertjes gaat het schoorvoetend en ruiken de dieren eenmaal stal dan gaat het bijkans in rengalop!
De tocht eindigt doorgaans bij het prachtige Château Valonge op een steenworp afstand van À Hue et à Dia, waar je je even ridder te paard voelt. En even later ben je terug. De kosten? 36 euro per persoon voor de twee uur durende rit. Bovendien ben je ook nog een uurtje zoet met het uit de wei halen van de paarden, het poetsen en het terugbrengen ervan. En dan blijkt je weer ridder te voet...
Van onsterfelijkheid en ulevellen
'Je bent pas écht dood als mensen niet meer aan je denken', zegt Boudewijn de Groot in een kort interview met mijn vriend en collega Jan Vriend van het Noordhollands Dagblad.
Jan stuurt wekelijks de lifestyle bijlage Vrij op, die het NHD elke zaterdag siert. Daarin staat mijn culinaire rubriek Over de Tong en zo zien we hier op Bellevue 'in het eggie' hoe die bijdrage oogt. Deze week stuurde Jan ook een éigen bijdrage mee: een reeks korte interviews met bekende Nederlanders, over hun band met een overleden dierbare, die zij nog altijd als inspiratiebron beschouwen.
Onder hen dus ook Boudewijn de Groot, die nog altijd veel aan 'zijn' tekstdichter Lennaert Nijgh denkt, die helaas in 2002 al stierf. Met bovenstaand citaat van Boudewijn: Je bent pas écht dood als mensen niet meer aan je denken.
Een oude wijsheid, waar als een koe. En ik betwijfel persoonlijk of Nijgh en De Groot - als duo slechts te vergelijken met Lennon en McCartney of Jagger en Richards - óóit zullen sterven, omdat er altijd wel iemand is die hun liedjes zingt.
Maar er is meer. Bij ons op tafel ligt Boudewijns boek 'Hoogtevrees in Babylon', met daarin alle nummers die hij zelf schreef tussen 1963 en 2006. Deze teksten, waarvan ik in veel gevallen dacht dat ze van de hand van Nijgh waren (Picknick bijvoorbeeld), worden stuk voor stuk door de schrijver verklaard, wat een aardig inkijkje geeft in het leven van de componist/zanger en in de geschiedenis van zijn pennenvruchten.
Het mooie is dat je na het lezen van zo'n tekst, het desbetreffende liedje nog dagen loopt te zingen of te neuriën, bijna tot wanhopens toe. En dat je met het nummer in je hoofd teruggaat naar je eigen jeugd. De evergreens zijn een vehikel voor je herinneringen en je bent opeens weer kind. Je voelt weer de tranen die prikten in je ogen toen je voor de eerste keer Een meisje van 16 hoorde (overigens geïnspireerd door Charles Aznavours Une Enfant), de lente die je voelde bij het luisteren naar Picknick, de bange trips die je maakte, keer en keer opnieuw, onder invloed van hasj en de elpee Nacht en Ontij - ze maken je weer even jong.
Uiteraard zijn deze specifieke herinneringen persoonlijk, maar de gevoelens die zij oproepen zijn universeel. Dat bleek toen we een half jaar terug alweer, met alle trekharmonicavrienden meebrulden op klassiekers als Verdronken Vlinder en Malle Babbe, het prachtige Naast Jou en natuurlijk Testament. Tenenkrommend voor Boudewijn zelf, ongetwijfeld, maar een bewijs van hoezeer zijn bijdragen aan de vaderlandse popgeschiedenis een collectief geheugen vormen.
Dankzij die bijdragen, zullen Nijgh en De Groot dus nimmer sterven (even voor de goede orde: Boudewijn is alive and kicking hoor en gaat deze nieuwe herfst alweer op toernee). Maar dankzij die bijdragen ook, worden vele Nederlanders die opgroeiden met hun muziek, bij tijd en wijle weer een beetje jonger.
Boudewijn verzuchtte eens dat hij de roep om al die oude nummers soms als een keurslijf ervaart. Moge het besef dat hij met de vertolking van zijn evergreens vele kinderhanden vasthoudt, dat keurslijf minder knellend maken.
En dan nog een persoonlijke ontboezeming: toen ik laatst over Welterusten, Meneer de President las en de zin 'bajonetten met bloedige gevesten, houden ver van hier op uw bevel de wacht' tegenkwam, wist ik plots weer wat ik in 1965, als jochie van 8 voor het eerst zong. 'Bajonetten met bloedige gevesten, houden ver van hier op Ulevel de wacht...' Ik wist niet beter of dit eiland in de verte was Ulevel, de plaats waar de gelijknamige snoepjes vandaan kwamen waar ik zo gek op was. En hoewel je die nergens meer tegenkomt, blijken ze dan toch opeens onsterfelijk.
Abonneren op:
Posts (Atom)




























