zondag 1 april 2012

Het jachtseizoen is weer open

Nu het zonnetje boven Bellevue (en de rest van de Morvan natuurlijk) al weer weken staat te lachen, gaat de jacht weer beginnen. Niet die op herten en wilde zwijnen, maar de jacht op brocante op de honderden vide greniers.

Vide grenier betekent zoiets als 'opgeruimde zolder' en de Fransen zijn er gek op. Van brocante, niet van opruimen. Elke zondag (en soms ook op zaterdag) zijn er minstens drie van die marchés des puces (vlooienmarkten dus) in de buurt en je moet heel erg je best doen om ze allemaal te volgen. Verstandiger is het alleen de leukste eruit te pikken en daar dan meer tijd aan te besteden.
Zoals de rommelmarkt in Givry, nabij Chalon sur Saone (80 km). Die wordt nota bene elke eerste zondag van de maand gehouden, dus met een beetje plannen van je verblijf op Bellevue kun je er altijd wel heen. Een leuke markt, waar handelaren en echte zolderopruimers hand in hand gaan. Figuurlijk gesproken dan. We scoorden er gisteren de torso van een paspop, twee rieten stoelen, een afgebladderde spiegel en zes metalen rekken voor rond de bomen op Bellevue. En verder uiteraard bordjes en een waterkan, nog een spiegeltje, een schilderij en een stel deurknoppen.
Uiteraard is het goed om vroeg naar zo'n markt toe te gaan. Laten we zeggen dat je er om negen uur probeert te zijn, zodat je de standhouders nog hoopvol ziet kijken naar hun eigen troep: dit ga ik vandaag voor veel geld verkopen. Doorgaans lukt dat niet. Ook niet voor weinig centen, zodat de kooplui bij het verstrijken van de dag korzeliger worden en tot slot nog slechts somber voor zich uit staren... Bijkomend voordeel van een vroeg bezoek is dat de leukste spullen nog voor handen zijn, zodat je met een wagen volgeladen terug kunt naar Bellevue.
Overigens is het veel verstandiger om helemaal niets te kopen, want je moet het allemaal weer meeslepen naar huis ook. En dat gaat allemaal af van de ruimte voor je dozen met wijn. In dat geval is een aankomst rond de klok van elf uur optimaal. Het zonnetjes brandt dan al lekker, de sfeer is nog redelijk hoopvol en er valt van alles te zien. Zoals een hele stoet aan honden.
Als Fransen hun hond niet aan de ketting hebben, dan zijn ze er verzot op en nemen ze hun trouwe viervoeter overal mee naar toe. Ook naar de vide grenier, waar zo'n dier dan wat verloren bij staat. Dit in tegenstelling tot z'n baasje, die juist veel aanspraak heeft dank zij zijn huisdier. Zeker als zijn buik op de grond hangt (van de hond, niet van het baasje), wat smakelijke reacties teweeg brengt. Of als de coiffure van het beest in kwestie bijzonder is.
Enfin, Givry is sowieso de moeite waard. Het is een aardig wijnstadje, met zeer fruitige witte en lichte rode wijnen. En misschien wel het leukste eetzaakje dat wij in die veertien jaar dat we in de Bourgogne zitten hebben bezocht: Restaurant La Cadole, cuisine traditionelle. Maar daarover meer in het culinaire overzicht dat binnenkort in dit theater draait!

PS. Voor de liefhebbers liggen in Maison Bellevue en Maison Perdue boekjes klaar met de leukste brocantes in de buurt. Kom maar gauw kijken...

vrijdag 16 maart 2012

Op bedevaart naar Bellevue

Bellevue ligt min of meer op de route naar Santiago de Compostella, de belangrijkste pelgrimsplaats van de westerse wereld. En zo kon het gebeuren dat we deze week onze eerste bedevaartganger te gast hadden.

Eerste even een toefje geschiedenis, om het belang van zo'n pelgrimstocht in vruchtbare schoot te laten vallen. Santiago is niks anders dan Spaans voor Sint Jacobus, een van de drie belangrijkste apostelen, naast zijn broer Johannes en natuurlijk Petrus. Jacob werkte met broerlief aan boord van het vissersbootje van zijn vader, toen hij en Johannes door Jezus werden geroepen om Hem te volgen. Jacob deed dat, maar bereidde zich wel voor. Ik bedoel, je kunt een wildvreemde man gaan volgen, maar je weet nooit wanneer je weer iets te eten krijgt. Dus nam hij een maaltje mee. Geen vis, want hoe vers je haring 's morgens ook moge zijn, in het klimaat van het Midden-Oosten is-ie 's avonds niet zo lekker meer. Dus nam Jacobus een schelpdier mee: de coquille St.Jacques. Al heette die toen natuurlijk nog niet zo. Hij spelde de lekkernij aan zijn mantel of zijn staf (zo staat hij altijd afgebeeld) en ging op pad.
Goedbeschouwd liep het hele avontuur uiteindelijk niet goed af voor onze visser, want nog maar veertig jaar oud werd hij 'door het zwaard gedood'. In opdracht van koning Herodes werd Jacobus onthoofd. Zijn ontzielde lichaam werd in een sarcofaag gelegd, er kropen twee volgelingen van de heilige in spe bij en de hele boel werd vanaf het strand, hup zo het water van de zee in geduwd. De stenen kist met zijn lugubere inhoud bleef als door een wonder drijven - er staan wel meer sterke staaltjes in de Bijbel -en spoelde uiteindelijk aan op het strand van Spanje. De opvarenden haalden het stoffelijk overschot uit de sarcofaag, droegen het landinwaarts en begroeven het op de helling van de berg Lubredon.
Daarna gebeurde er acht eeuwen niks.
Totdat volgens de legende boven de berg een ster verscheen. De bisschop in de buurt, die het verhaal van Bethlehem kende en zich deze kans niet wilde laten ontglippen, toog naar de vlakte die door de ster werd beschenen begon te graven en ontdekte het lichaam van de heilige. De rest is geschiedenis (alle voorgaande ook, maar hier bedoel ik het overdrachtelijk): op de vindplaats werd een kapel gebouwd, de kapel groeide uit tot een kathedraal, rond de kathedraal ontstond een stad en deze stad groeide dus uit tot Santiago de Compostella. Letterlijk: de Heilige Jacobus van het sterrenveld (campus is Latijn voor veld - denk aan ons woord kamperen - en stella betekent ster).
Jaarlijks gaan nog altijd 150 tot 200.000 bedevaartgangers naar Santiago toe. Te voet, op de fiets of te paard, of alleen de laatste 100 km, want dan ben je officieel ook al een pelgrim. Maar zo'n watje is ónze bedevaartganger natuurlijk niet. Nee, Nico, die al twee keer eerder met zijn gezin te gast was op Bellevue, startte in de vroege ochtend van 5 februari in zijn woonplaats Kethel (bij Schiedam). Hij gordde zijn 12 kilo zware rugzak om, groette zijn vrouw Mariet en stapte de bittere vrieskou in. Die kou bleef de eerste weken, want het vroor 's nachts tot tien graden en overdag kwam de temperatuur niet boven de -4. Maar er was ook een zonnetje en het was - ondanks de sneeuw - goed lopen.
In noord-Frankrijk, toch al niet de vrolijkste omgeving, veranderde het weerbeeld. Nico liep dagen door het grijze landschap, door de mist, door de motregen die hem tenslotte doorweekte. Hij dacht na over zijn werk (de kinderpsychiatrie), zijn doel en zijn leven. En vroeg zich nu en dan ook af wat hij daar, in het nog altijd tastbare decor van de Eerste Wereldoorlog, in hemelsnaam deed...

In Bellevue, alweer weken verder, scheen uiteraard de zon. Het zweet parelde op zijn voorhoofd toen Nico opeens voor de deur stond. Pet op, bergschoenen aan en de rugzak om, die inmiddels kilo's zwaarder was omdat-ie de in het vorige dorp ingeslagen biertjes niet allemaal op wist te krijgen. Achterop die rugzak prijkt uiteraard het embleem van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob - verplichte kost van bedevaartgangers - plus twee coquilles St. Jacques. Als eerbetoon aan die andere pelgrim die op reis ging. En als eerste aankwam in Santiago de Compostella.

maandag 12 maart 2012

En we noemen hem Klossie...


Soms lijken gebeurtenissen niets met elkaar te maken te hebben en bestaat er toch een causaal verband. Neem de aanschaf van een tafelkleedje en de komst van onze nieuwe hond...
Dat zit zo. In de zomer van 2011 gingen we voor de eerste keer naar de vide grenier (lege zolder, oftewel rommelmarkt) van Mont St. Jean. En het was meteen een van de leukste markten die we ooit bezochten, daar in het Middeleeuwse stradje op de beburchte berg van de Heilige Johannes.
We kochten er veel: een schilderij (zie eerder bericht), vier Marokkaanse vazen voor ons nieuwe huis Marrakech, een picknickmand die we van de zomer meegeven aan onze gasten, 25 meter gordijnstof, enfin, noem maar op. We kochten er tevens een tafelkleedje. Niet zo maar een nappe, zoals dat in het Frans heet, maar eentje van Hotel La Cloche. met de opdruk van een gestileerde klok in het hart van het lichtgroene kleedje.

Eenmaal thuis de website van La Cloche bezocht: ligt dat vermaarde hotel gewoon in Dijon?! Dus wij erheen. Om foto's te maken. En te proeven. En te kijken of ze nog steeds diezelfde tafelkleedjes hadden. Maar soms ben je niet goed wijs. Tenminste, ik niet. Zo vergat ik die eerste keer niet mijn camera, maar wel het batterijtje dat erin hoort. Daar kwam ik pas achter toen de bestellingen al gedaan waren en de ober juist een leuke foto wilde maken van Elly en Jurriaan aan hun voorgerecht:-( Niks foto's dus en niks stukkie voor deze weblog. Maar aan het einde van de rit wel gewoon 100 euro armer hè...
We moesten dus terug naar La Cloche (het zou nog een duur tafelkleedje worden zo), hetgeen afgelopen zaterdag geschiedde. Nu met batterij in de camera én een opschrijfblokje én mijn nieuwe visitekaartjes met de eigenwijze titel 'critique culinair' erop. Want als je dan toch vaste gast wordt, kunnen ze ook maar beter weten wat voor vlees ze in de kuip hebben.

Enfin, we hebben fantastisch gegeten daar in La Cloche (de eerste keer ook al trouwens). Twee kostelijke amuses vooraf, drie lichte gangen van topkwaliteit, mineraalwater en koffie met frandises toe. En dat alles voor 35 euro. Daar komt dan nog wel een fles chardonnay d'Azé bij (26 euro), maar dan heb je het ook wel gehad.
Omdat de Fransen houden van opschieten aan tafel (behalve op zondagmiddag), hadden we nog tijd over om even naar Emmaus te rijden in Dijon-Nord. Je weet wel, zo'n kringloop voor het goede doel, waar je wordt geholpen door daklozen en ex-verslaafden en andere mensen die graag wat om handen hebben. En daar vonden we onze nieuwe hond. Een oud baasje, zeker en zelf net zo viltig als sommige van de werkers bij Emmaus. Maar ook heel lief en rustig. Hij mist een oor, maar dat lijkt onze nieuwe vriend niet te deren. Want hij is reuze blij dat-ie op Bellevue is neergestreken en het gaat goed met Enna samen ook. Hoe hij heet? Officiaal Clochard, naar Hotel-restaurant La Cloche. Een toepasselijke naam in meerdere opzichten, omdat-ie er ook uitziet als een clochard (tussen haakjes: het begrip clochard is ontstaan in de oude hallen van Parijs, waar om een uur 's nachts de klokken - les cloches - luidden als de markt ging sluiten. En dat was het moment voor de arme sloebers van de Lichtstad om naar de markt toe te gaan en zich te goed te doen aan wat er overbleef aan etenswaar). Maar goed, onze nieuwe hond dus. We noemen hem in het dagelijks leven natuurlijk niet Clochard, maar gewoon Klossie. En hij heeft al zijn eigen tafelkleedje...

woensdag 29 februari 2012

Pommetje-oeufje

Wie denkt dat de winter appeltje-eitje is in de Morvan (pommetje-oeufje heet dat hier) heeft het mis. Er is altijd wat te doen en soms zelfs voornamer zaken dan ’s zomers.
Zo moest uw herbergvader deze week toch zo maar babysitten op een boerderij met honderd hectaren grond?! Niet dat ik iets met die grond moest – er groeit goddank weinig deze dagen – maar het is toch een hele verantwoordelijkheid.
Het kwam allemaal omdat de boer en zijn boerin een middagje naar Dijon moesten. Naar het hospitaal om beider zwangerschap te laten echoën. Wie is de burgemeester van Wezel? Ezel, ezel, ezel...
Hoe dan ook, stagiair Yann was al bereid gevonden zich in te zetten voor de goede zaak (in casu de boerderij, niet de zwangerschap). Maar omdat Yann slechts vijftien lentes telt, moest er iemand met enig gezag bij. En omdat ik ereburger ben van Ferme Les Plaines (de naam van de boerderij in kwestie), zit het met dat gezag wel goed.

Zo kreeg ik dus de verantwoordelijkheid over al die bunders land, die zich uitstrekken zo ver het oog reikt. Er ligt veel geel gras op, er vliegen vogels over en langs de randen staan troosteloze struiken – de winter is niet het vrolijkste seizoen hier.
Maar dat is slechts materie: in en rond de stallen heerst de levende have en daar groeit dan ook de behoefte aan gezag. Neem de kippen. Een stuk of tien tel ik er, maar het exacte aantal – van belang om straks bij terugkomst van de boer en zijn boerin de zaak ongeschonden te kunnen overdragen - is moeilijk vast te stellen. Dat komt: ze lopen steeds door elkaar. En ze zijn allemaal wit. Er is een zielige haan bij, die ooit werd gegrepen door een vos maar gratie kreeg. ‘Die heeft zoveel meegemaakt in zijn leven dat-ie niet in de soep hoeft’, hoor ik de boer nog zeggen. Wat mij er niet geruster op maakt.
In de eerste stal met koeien – 201 in getal – tref ik ook nog een zielige kip aan. Die is getraumatiseerd, zo luidt het verhaal, dat teruggaat naar datzelfde bezoek van de vos. Alle andere kippen werden daarbij doodgebeten. Wat op zich al geen lolletje is, om mee te maken als collega-kip. Gek genoeg bleven de hanen (behalve die ene dus) ongeschonden. Met als lange termijn gevolg dat die ene overlevende kip al die hanen over zich heen kreeg. En dat bedoelt de boer geloof ik niet figuurlijk… Pas toen er weer nieuwe kippen bijkwamen kreeg de zielige kip het wat rustiger. Oh ja, het scheelde ook dat alle hanen behalve die zielige in de soep gingen.
Dan is er nog een hond, die ‘Hondje’ heet. En een heel stel duiven, die alles onder schijten. Inclusief Hondje.
De grootste zorg evenwel, gaat hier uit naar de koeien. Zoals gezegd, 201 in getal, waarbij NUMMER 202 ZICH VANDAAG WEL ZAL AANDIENEN. Zo zei de boer het voordat-ie wegging – ik zal het nooit vergeten. De moeder-in-spe is koe no. 0035, die niet luistert naar de opmerkelijke naam Cassette.
Enfin, ik krijg een reeks voortekenen mee die de nakende boreling aankondigen. Zoals een vliesachtig oog dat uit de achterkant van Cassette kan puilen (teken 1). Vervolgens moet je niet raar opkijken als er een paar hoefjes uit des koe’s achterste gaan hangen (teken 2). Dat mag niet te lang duren. Niet dat ze moeten terugtrekken, neen ze moeten juist verder naar buiten komen (teken 3). Gevolgd door het neusje van de zalm – pardon, het kalf (inderdaad, teken 4).
Als er complicaties zijn, zal dit laatste voorteken achterwege blijven. Dan kan er iets omgedraaid in het geboortekanaal liggen, heb ik begrepen, maar wat precies is mij niet geworden. Omdat de boer het in het Frans uitlegt en mijn gynaecologisch inzicht toch vooral op de Nederlandse anatomie is gebaseerd.
Het komt erop aan de kwestie ter plekke te bezien, opdat kennismaking met Cassette meer verduidelijkt. Het ongeluk is alleen dat no. 0035 niet zo een-twee-drie te herkennen is. Ik bedoel, er zijn tweehonderd beesten op de been en het is net als met die kippen: ze lopen door elkaar en ze zijn allemaal wit. Misschien had de boer het dier moeten merken met een touwtje om haar nek. Een cassettebandje, ja.
Gelukkig is er één koe bij waar golven schuimend vocht uit spoelen, gelijk bier uit een open vat. Wat me geen dagelijks gebeuren lijkt, dus dat zal de kraamkoe wel wezen. Nu loop ik zelf ook door elkaar en zie ik wit. Hoelang zal het nog duren voor de boer en zijn boerin zijn uit-geëchood? Hondje blaft nu en dan in de stal, wat mijn gemoedsrust geen goed doet. Dieren voelen elkaar aan en als er iets mis gaat – zoals het geheel leeglopen van een koe – waarschuwen ze denkelijk. Of niet, wat nog nijpender is.
Kijk, in het gunstigste geval komt er inderdaad een kalfje ter wereld zonder stuitligging, keizersnede of ander ongemak. Maar dan ben je er nog niet, want dan moet je het hok in om de navel, waar de streng hopelijk van afgebroken is, te ontsmetten. En dat geeft nog niks, ware het niet dat de onderhavige koe zich dank zij een overschot aan moedergevoelens graag als stier wil gedragen en een vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker met kop en kont het hok uit bonjourt. Om het maar op z’n Frans te zeggen.
Duurt een echo van bijvoorbeeld een zesling eigenlijk zes keer zo lang als die van een eenling?
Om de ergste spanning weg te nemen, besluit ik een blok hout op het vuur beneden in de kelder te gooien. Niet dat daar een brand woedt – ik heb al genoeg aan het hoofd – doch er staat wel een kachel ten behoeve van de centrale verwarming. Ook voed ik het kippenspul, waarbij de zielige haan – toch al gauw een halve kuub ik omvang, volgens mij heeft niet hij maar die vós gratie gekregen – toch niet zo zielig oogt.
Ondertussen fantaseer ik over de naam van het kalf in het geboortekanaal. Helaas mag die naam volgens het Franse koeienregister dit jaar niet met een J beginnen: volgens het boekje – het stamboekje, zogezegd – moet dat een H zijn. Van Hurriaan bijvoorbeeld.
En dan word ik uit mijn dagdromerij gewekt door een stel koplampen dat het erf op draait. De vader van stagiair Yann, die zijn zoon komt halen. Of-ie misschien verloskunde heeft gestudeerd voordat-ie bij de vuilnisdienst van Saulieu ging werken, wil ik weten. Hij kijkt me aan, lacht en rijdt weg. Fransen herkennen gezag niet altijd als ze het zien.
Moederziel alleen nu, met tien tot twaalf kippen, een stel shit duiven, Hondje en een halfzachte haan, neem ik afstand van die tweehonderd koeien. Ik moet mij concentreren op die ene koe met oormerk 0035, opdat we als het ware één worden. Samen denken aan die baby binnen. Samen zwoegen. Samen vechten tegen de pijn van de weeën. Samen puffen. En samen wachten tot de boer en zijn boerin terug zijn. Kan mij het schelen als dat kalf straks Henk heet.
PS. Des avonds om 23.00 uur – de boer en zijn boerin waren inmiddels thuis – is de dierenarts gebeld, omdat kalf Hurriaan ‘cul premier’ lag, dus met zijn kont naar achteren toe. Het babystiertje is met de keizersnede ter wereld gebracht. Waarbij ik eraan herinner dat ook Caesar op die wijze naar buiten kwam. Over gezag gesproken.

maandag 20 februari 2012

What's in a name

Bij ons op het Bourgondische platteland zijn ze gek op bijnamen. Die een heel eigen leven gaan leiden bovendien.
Neem Giginne, de eigenares van de kleine buurtsuper beneden in het dorp. Ze heette haar hele jeugd lang Claudette. Ik bedoel, dat was haar echte naam. Tot ze een vriendje kreeg dat misschien niet zo heel slim was (maar vast wel lief), want dat jong kon die naam niet uitspreken. Of onthouden, dat heb ik eigenlijk niet onthouden. Hoe het ook zij, hij noemde haar gemakshalve dus maar Giginne. En zo is het altijd gebleven. De Claudette van ooit is inmiddels pakweg 70 en nooit heeft zij haar eigen naam terug gekregen...
De meeste bijnamen liggen meer voor de hand, waarbij wel opvalt dat de Fransen dol zijn op herhaling. Zo is Joseph vanzelf JoJo en Julien zou JuJu worden. Ware het niet dat ik ooit een vertolking van Mireille Mathieu ten beste gaf en nu dus MiMi heet hier.
Meer voorbeelden? Jean-Michel (uitbater van Hotel de la Poste) heet Jean-Mi, Jean Louis (werkt bij de gemeente, schuift sneeuw en lijkt sprekend op André Hazes, zowel uiterlijk als qua inname;-) heet Petit-Louis en de voormalige slagersvrouw Corinne wordt vanzelfsprekend CoCo.

Vaak ook ligt er een of andere gebeurtenis in het verleden aan de bijnaam ten grondslag. Zoals in het geval van Pascal, één van de werknemers die momenteel in onze nieuwe gîte Marrakech werkt (binnenkort in dit theater). Die wordt ook CoCo genoemd?! Dat komt zo: als kind kwam de kleine Pascal graag bij zijn tante in de winkel van Sinkel. Een turf hoog was-ie en als hij achter de toonbank (let op: de comptoir) stond, kwamen alleen z'n ogen er bovenuit. En dus werd-ie genoemd naar die toonbank-op-z'n-Frans: CoCo.
Als er nu ooit een kind mag worden geboren in ons huis Bellevue (of verwekt, is ook goed), dan weet ik al wat zijn bijnaam wordt: BéBé...

zaterdag 21 januari 2012

Mijnwerkers ook met lampje niet te vinden


We geven weer eens ruimte aan een gastblogger, die de lezer eeuwen terug meevoert de Bronstijd in. Ver van huis hoeven we er niet voor, want onze goede vriend Peter Schat weet al deze eeuwenoude resten op wandelafstand van Maison Bellevue aan te wijzen.

,,Dat Jurriaan eens een wandelaar trof op de ancien chemin de fer, die met een metaaldetector het bos in trok, zou een mooi begin zijn geweest van dit verhaal. De man vertelde archeoloog te zijn en was op zoek naar restanten van mijnbouw uit de oertijd. Later die dag keerde hij terug en Jurriaan sprak hem, nieuwsgierig naar het resultaat van zijn speurtocht, opnieuw aan. De man had echter niets kunnen vinden.
Het verhaal duikelde weer op in Jurriaans geheugen, toen ik eind 2011 in gezelschap van hem en Enna tegen de heuvel Les Moutelles, niet ver van Bellevue, opklauterde. Mijn speurtocht in september van dat jaar naar resten van een Gallo-Romaanse omwalling op Les Moutelles, had eenmaal weer thuis een verschuiving van inzichten teweeggebracht. De richels die ik aantrof en die zich sluw in haakse bochten op de top van heuvel wrongen, waren lang niet zo herkenbaar als de vallum van het Camp de Cesar, op de nabijgelegen Mont Moux. Die top wordt deels gerond door een aarden wal, waarvan het opgeworpen bouwmateriaal aan de buitenzijde een droge gracht deed ontstaan. Zo’n vallum was een pittige hindernis voor een vijand die tegen de heuvel klimmend het kamp poogde in te nemen.


Zijn de verhogingen van Les Moutelles restanten van het Camp des Moutelles? Ik twijfelde in september al en besloot na de heuvel te hebben gerond terug te keren in een minder bebladerd seizoen. En nu was ook Jurriaan benieuwd. En Enna, hoewel, die is per definitie nieuwsgierig naar elk uitje. We zouden dit keer op zoek naar vier enorme droge grachten die hier in de negentiende eeuw waren gespot. In tegenstelling tot wat men toen dacht, zouden dit geen Gallo-Romaanse verdedigingswerken zijn geweest, maar overblijfselen van dagmijnbouw uit de Bronstijd.


Immers, over de Tranchée Romain, naast de D193 bij het gehucht Montsermage, doet ook een moderne theorie opgeld, namelijk dat ook deze droge gracht ondanks de naam niet door de Romeinen moet zijn gegraven, doch een veel ouder restant is van een zoektocht naar erts. En zo droog is de gracht overigens niet, want de gravers uit de Bronstijd bereikten toen al het grondwater, of zoals de Fransen dat zo mooi zeggen: de nappe phreatique. In elk geval konden de bewoners van Montsermage, het Camp des Moutelles en wellicht de soldaten in het Camp de César er terecht voor hun drinkwater. Ook vandaag de dag spelen de bronnen in de Tranchée Romain een rol bij de drinkwaterwinning. Aanvang vorige eeuw had de 300 meter lange geul tijdelijk een andere moderne bestemming. De ingenieurs die de spoorlijn Saulieu-Corbigny bouwden, lieten hun ‘tacot’ doodleuk door de geul uit de Bronstijd tuffen. Dat duurde tot 1939.


En zo zijn we weer terug bij het spoorlijntje aan het begin van het verhaal. Wat zegt u? Niets wijzer geworden over de mijnen op Les Moutelles? Dat klopt, wij ook niet. Onze conclusie is dat hedendaagse bosbouwers vakkundig deze honderd meter lange en zeven meter diepe geulen hebben laten verdwijnen. Wat we vonden is slechts een piepklein restantje van een ervan en dat ondanks de inzet van Enna als speurneus.''

Wie nieuwsgierig is naar de restanten van de premiddeleeuwse omwallingen en twee mijnen uit de Bronstijd, kan deze filmpjes bekijken:
Camp de César: http://www.youtube.com/watch?v=fuIBUYG4zZ0
En de laatste: http://www.youtube.com/watch?v=06uSceJbVz0
Tranchée Romain: http://www.youtube.com/watch?v=vXS2FZdS1ts
Canal du Touron: http://www.youtube.com/watch?v=Vm1tpMc5pwo

dinsdag 17 januari 2012

Het Semur van Vauban

Eindelijk is de winter dan toch gekomen op Bellevue. De wereld is 's morgens wit van de rijp, plassen en meertjes zijn dicht gevroren en de bomen staan stil in de kou.
Er gebeurt weinig, of het moet het voorbij trekken zijn van een tiental wilde zwijnen, in de vallei langs de chemin de fer achter ons huis. Enna kreeg ze in het oog en had een kwartier nodig om ze te vinden. Waarna ik een half uur nodig had om Enna weer te vinden...
Maar verder passeert er dus niet veel hier. Vandaar een uitstapje naar Semur-en-Auxois, de Middeleeuwse stad op 45 km van Bellevue, die door velen van onze gasten wordt omarmd en door anderen wordt verfoeid vanwege zijn leegstand.
Het hart van Semur wordt gevormd door een viertal torens, die ooit een onneembare vesting vormden. En dan is letterlijk, want de bouwer ervan is van de Morvandese maarschalk Vauban en in zijn dagen was de slogan dat een burcht die door Vauban was gebouwd niet in te nemen was en dat een burcht die door Vauban werd belegerd niet te houden was. Ik weet eigenlijk niet of hij ooit zijn eigen burchten heeft belegerd.

Het is dus een versterkte stad en ook dat is tegenwoordig letterlijk: op meerdere plaatsen staan indrukwekkende houten bouwsels om muren en huizen te stutten. Het draagt bij aan het oude karakter en de sfeer, zeker omdat dergelijke verstevigingen al sinds mensenheugenis worden gebruikt.
Niet alleen de uitstraling, ook het stratenplan van Semur is nog altijd Middeleeuws, met kleine poortjes, nauwe stegen en overal kinderkopjes. En even buiten de oude stadskern ligt een van de langste promenades van Frankrijk, die de wandelaar een kilometer of wat tussen twee dichte bomenrijen doorvoert. Als hier de jaarlijkse rommelmarkt plaats vindt is het een feest, alleen al vanwege de luisterrijke omgeving.
Ofschoon er prachtige panden leeg staan of te koop zijn, is er nog altijd aardig wat middenstand in de plaats, terwijl aan restaurants zeker geen gebrek is. Op aanraden van een Semurees (?) kozen we voor een lunch in Le Saint Vernier(waarschijnlijk van verni=boffer), een kleine bistro met Bourgondische specialiteiten. Zoals een prima tête de veau (kalfskop) en een bijzondere andouilette. En dat moet ook wel als je afgaat op de naam: andouilette à l'époisses SA.

En die letters staan dan weer voor Association Authentique de l'Amicale de l'Andouilette des Amateurs. Vrij vertaald zoiets als de hobbyclub van vrienden van deauthentieke andouilette. Dat is nou typisch Frans, om zo verheven te doen over een worst. En dan ook nog een worst gemaakt van ingewanden en pens. Maar dan wel een heel lekkere, in een korst van deeg, dat dan weer wel.
Enfin, om uit te buiken is een wandeling naar de mooie kathedraal wel een aanrader. En een bezoekje eveneens, want binnen de kerk vind je allemaal aparte nisjes voor de al dan niet plaatselijke heiligen van de stad. Een van die nissen is gewijd aan de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog (nog altijd La Grande Guerre hier in Frankrijk) en de glas-in-loodramen tonen zelfs Frans soldaten die van engelen een lauwerkrans krijgen aangereikt. Wat meestal geen goed teken is...

Op die wandeling kun je zo maar oog in oog staan met Elias Howe. Nu ja, met zijn plaquette aan de muur dan, waar deze 'uitvinder' van de naaimachine heeft gelogeerd. Dat woord uitvinder staan niet voor niets tussen aanhalingstekens. Feitelijk was de machine å coudre al uitgevonden, maar Howe heeft 'm wel zodanig verbeterd dat-ie ook echt gebruikt kan worden. Tijdens het bezoek van de Amerikaanse Howe aan onder meer Semur-en-Auxois, was ene Isaac Singer overigens zo slim om er met het patent van Elias vandoor te gaan. Een rechtszaak maakte uiteindelijk uit dat Howe recht had op een deel van de winst van Singer, maar dat alles terzijde.
Een voettocht rond oude stadwallen van Semur-en-Auxois is eveneens de moeite waard, dank zij de schitterende vergezichten en de verrassende kijk op de rivier beneden aan de stadmuren. Het water daarvan kolkt tussen de oevers en het gebrul en geruis ervan maakt onrustig in het hoofd. Dus maar weer gauw terug naar de stilte van onze eigen 'brucht'. Niet gebouwd door Vauban en dus altijd gastvrij.

woensdag 21 december 2011

Van dromen en geluk

We droomden even van een witte kerst toen afgelopen maandag een mooi pak sneeuw viel in de Morvan. Zo'n vijf centimeter misschien, maar genoeg om het glooiend landschap onder een witte deken te leggen.

Twijgen en takken bogen opeens ver door onder het gewicht van de sneeuw en de hele wereld lag verstild onder die mantel van kristal. Nu ja, de hele wereld... Enna en de poezen dolden door de vlokken, trokken ieder spoor in de sneeuw na en vonden het allemaal reuze spannend.

Die spanning duurde helaas niet lang, want zodra het begon te regenen deze week, smolt de witte wereld weg. Het donker van de bomen kwam weer boven en het groen van het gras...

Maar we blijven dromen, omdat in dromen ieders geluk besloten ligt. We wensen iedereen een vredige kerst en een sprankelend 2012.

Elly en Jurriaan

zaterdag 3 december 2011

Rondom dronken

Hoe culinair ze ook zijn, Fransen nodigen hun vrienden niet gauw uit voor het eten. Zeker niet als die vrienden buitenlanders zijn en de taal niet vloeiend spreken. Toch overkwam het ons. En dat hebben we geweten...
De uitnodiging kwam van onze allerliefste vrienden Patricia en haar Jean-Philippe. Trouwe gasten van Bellevue kennen 'Pat' misschien beter als de schoonheidsspecialiste van 'beneden in het dorp'. Een schat van een vrouw, altijd even hartelijk en goedlachs. Ook als zij present is op het trekzakconcert elke eerste vrijdag van oktober: er bestaan cd-opnamen waarop je haar hoort gieren, bóven alle andere concertgangers uit!
Enfin, deze Pat en haar man nodigden ons na afloop van het laatste concert uit voor een rendez vous, eind november. Dus wij cadeautjes gekocht en bloemen, om op ons paasbest af te dalen naar Moux. We waren niet de enige gasten en zelfs niet de enige buitenlanders! Armelle (Zwitserland) en haar Pierre (oorspronkelijk Tsjechoslowakije) waren er ook. Plus de drie zoons van Pat en Jean-Philippe: Jimmy, Jerôme (met wederhelft) en de jongste, Remy.
Nou wil het toeval - hoewel, ís het toeval? - dat Jimmy een prima kok is. Of eigenlijk is hij patissier: hij werkt voor een
groot hotel in Zwitserland, waar-ie desserts en anderszins zoetigheid bereidt. En Pat had deze zelfde Jimmy gevraagd om de hapjes voor 'onze avond' te maken. Sterker, 's morgens om tien uur had ze al aangedrongen dat-ie nou eindelijk eens moest beginnen met kokkerellen. Waarop hij antwoordde dat-ie normaal voor 800 (achthonderd!) mensen kookt, dus dat-ie zich om deze tien niet zo druk maakte...
Geheel volgens de tijdgeest, zou het geen grote pan boeuf Bourguignon worden, maar een reeks amusehapjes. Een beetje zoals bij een Mediterrane 'meze' wordt geserveerd. En Jean-Philippe, ook niet voor een kleintje vervaard, zou er passende wijnen bij schenken. Maar eerst champagne, want een dag zonder bubbels is een dag niet geleefd. En omdat het nog een feestdag is ook, komt er meteen maar een tweede glas champoepel overheen. Enfin, wij gezellig kouten met z'n allen totdat de eerste hapjes op de salontafel verschijnen: zelf gebakken kaasstengels en andere hartige koekjes.
Bij het eerste echte gerechtje - guacamole met garnaaltjes bovenop - schenkt J.P. een chablis premier cru. Het tweede glas daarvan begeleidt de tweede amuse: een mooie verse bisque van kreeft. Dan volgen er twee flessen chassagne Montrachet (de eerste 't' van Montrachet dien je niet uit te spreken, maar dat kúnnen we inmiddels ook al niet langer) en meer hapjes: toast met zalm en zalmeitjes, zoete macarons met een hartige zalmgelei ertussen (hmmmm) en nog zo wat.

Tijdens de spoom die volgt - een bolletje cassis-ijs overgoten met marc de Bourgogne - gaat bij Elly het licht uit. Vanaf dat moment kletst ze alleen nog maar in het Nederlands en kan ik als een soort professionele tolk alles vertalen. En er volgt meer eten. En meer wijn. Een mini-casserolletje met oeufs en meurette (een kwarteleitje, in dit geval, in een saus van rode wijn), een crème brûlée van eendenlever, cake gevuld met abrikozen en eendenlever (weer die Goddelijke combi van hartig en zoet!) en hartige gevulde broodjes.
Inmiddels zijn we diep in de rode wijn getreden (minstens twee flessen gaan er voorbij), maar ZjeePee, zoals-ie inmiddels heet, opent met gemak nog een prachtige Pommard. 'Omdat Pommard de wijn was die we thuis altijd dronken als er iets te vieren was', verklaart hij glunderend. Elly moet nu af en toe een beetje huilen 'van alle emoties'.

Normaal volgt nu kaas, maar Jimmy zou Jimmy niet zijn als hij er niet de lekkerste koekjes van had gemaakt, in diverse soorten en maten. Wow! En dan moet de patisserie - zijn échte métier immers - nog komen: bonbons in melk en puur met 22 karaats bladgoud bovenop en koekjes en ditjes en datjes. En natuurlijk weer champagne, want dat drinken de Fransen niet alleen graag als aperitief maar net zo passievol bij de toet. We zijn nu allemaal rondom dronken (ofschoon ik het gevoel heb dat wij er meer last van hebben dan de overige gasten) en praten geloof ik allemáál Hollands terwijl ik alles vertaal. Een mooie afsluiting van onze bijna-eerste avond bij onze Morvandese vrienden. En nu begrijp je ook meteen waarom de Fransen je niet zo váák uitnodigen voor het eten...


PS. Pat kwam daags na ons bezoek aanzetten met een plastic tasje. Wat daarin zat? Elly's sokken, die ze onder de bank had gevonden?!

zondag 13 november 2011

Onder zeil


Vaste gasten wisten het al wel: in 1998, toen we Bellevue kochten en in de tuin voor het huis handklap stonden te doen met toenmalig eigenaar Gabriel Girard (dat handjeklap is kennelijk van vele culturen), woonden we nog op een schip.
Zomer heette onze houten tweemaster (uit Frankrijk!) en we werkten er altijd hard aan. Maar als we dan losgooiden, het Noordzeekanaal over tuften op weg naar het IJsselmeer danwel de Noordzee, dan verheugden we ons al: straks, voorbij de sluizen, zouden de zeilen op gaan. En ja hoor, eenmaal op open water ging 'de witte motor' omhoog en de echte motor uit. En dan, onder zeil en met niets dan de streling van de wind langs je oren, zeiden we steevast tegen elkaar: hier doen we het voor.
Vooral zelf roep ik nog wel dat we 'de Zomer' nooit hadden moeten wegdoen. Met name als ik vijftien kuub stookhout te zagen heb. Of tweemaal per week twee hectare gazon moet maaien. Dat is echter onzin: we zijn hier net zo gelukkig als op het goede schip, zoals Lennaert Nijgh zijn Jonge Jacob altijd placht te noemen. Bovendien hebben we allerlei herinneringen aan ons scheepvaartverleden meegetroond. Peddels en riemen van uiteenlopende bootjes, boeken over de oceanen, cd's met zeemansliederen en uiteraard ons schilderij van de Zomer.
Toch was het een ontroerend moment toen onze goede vrienden Leendert en Alexandra dit jaar met mijn verjaardagscadeautje kwamen aanzetten (7 oktober is de dag, noteer dat in je agenda). Want wat hadden zij bedacht? Twee zeilen van hun eigen schip. Te oud om nog mee te zeilen, maar wie maalt daarom op het vaste land? Hun idee was dat de genua en het grootzeil van hun Polly Maggoo voortaan als zonnescherm dienst zou doen!
En zo geschiedde: samen met Leendert werd de grote fok (wat dat is een genua) met het onderlijk (de onderkant van de driehoek) tegen de voorgevel van Maison Bellevue gespannen. De bovenste punt, die normaal in het topje van de mast zit, ging richting de acacia op het gras vóór en klaar is Kees! Of eigenlijk Leendert...
Inmiddels hebben onze laatste gasten al in de schaduw van het nieuwe zonnescherm geluncht en geborreld. En wil je ev
en niet in de schaduw, dan rol je het zeil eenvoudigweg op.
Zelf zitten we op ons achterterras nu ook onder zo'n scherm. En als we dan 'onder zeil' zijn samen, dan zeggen we tegen elkaar: hier doen we het voor...